Posts tonen met het label gastvrijheid. Alle posts tonen
Posts tonen met het label gastvrijheid. Alle posts tonen

4 juli 2010

Ons kent ons

Voor de tweede maal begaf ik me naar Al-Husn om in het regionaal politiebureau mijn Jordaanse visum te laten verlengen. Bij de eerste poging hadden ze me gevraagd om Abed, die me in zijn gezin opgenomen heeft, mee naar het bureau te nemen, zodat hij kon bevestigen dat ik bij hen logeerde. Werd de dag tevoren nog de enige Engelssprekende politieagent van het hoofdkantoor voor me opgetrommeld, deze keer ging alles in het Arabisch, en dus langs me heen. Abed voerde een gesprek met de vrouw achter de computer, waarop zij haar telefoon pakte en iemand opbelde. Na een korte woorden- wisseling met de persoon aan de andere kant van de lijn gaf ze de telefoon aan mij. Een Engels- sprekende vrouw vroeg me wat het precies was, dat ik wilde. Ze sprak zo zacht dat ik haar zelfs buiten, weg van alle mensen in de gehorige ruimte, niet kon verstaan. Met veel moeite legde ik haar uit dat ik mijn visum graag 10 dagen wilde verlengen. Zij vertelde dat hij tot drie maanden verlengd zou worden, maar dat Abed daarvoor een handtekening moest zetten. Hoe aardig Abed ook is, hij was niet genegen om in het politiebureau een handtekening voor mij te zetten. Zodra de vrouw aan de telefoon me uit had gelegd wat er aan de hand was, bracht ik haar terug naar de dame achter de computer. Zij had ondertussen, met een andere mobiele telefoon, nog iemand opgebeld. We wisselden de telefoons uit, waarop ik vol verbazing de volgende woordvoerder aanhoorde. Het was geen Engels, dat zich met mijn gedachten vermengde. Deze man sprak Nederlands.

“Goedemiddag,” begon hij, “dit is Loewai. Hoe heet u?” Hij vertelde 13 jaar in Nederland te hebben gewoond, waar hij allerlei baantjes had gehad. Hij legde me de situatie rondom de te zetten handtekening nog eens uit, waarna hij me vroeg de telefoon aan Abed te geven. Even later vertelde Loewai me nog eens dat Abed echt niet van plan was een handtekening te gaan zetten. Ik stelde voor dat ik dan naar het niemandsland tussen Jordanië en Syrië zou gaan, om gewoon maar even buiten het land te zijn en dan met een vers visum terug te komen. Als ik daarvoor niet Syrië binnen zou hoeven gaan, waar je zowel bij het binnengaan als bij het verlaten geld moet betalen, dan zou dat een prima oplossing zijn. Hij had een beter idee. Hij zei dat hij het enorm fijn vond om weer eens Nederlands te spreken, omdat dat al lang niet meer voorgekomen was, en bood aan om zelf een handtekening te komen zetten. De vrouw achter de computer was immers zijn schoonzus, dus daarmee zou alles per definitie soepel gaan. Op dit moment zat hij op zijn werk, maar in één van de volgende dagen zouden we dat wel even kunnen regelen. En natuurlijk zou ik bij hem in Irbid komen eten; een mooie gelegenheid voor hem om zijn Nederlands te oefenen.

De volgende dag bij hem thuis nemen we buiten op de eerste verdieping plaats en begint Loewai te vertellen. Hij vraagt of ik al in kamp Irbid ben geweest.
“Daar mag ik helaas niet komen. Ik heb toestemming om vier kampen te bezoeken, maar kamp Irbid zit daar helaas niet bij.”
“Je zou daar toch eens moeten kijken. Vroeger was het daar erg arm, maar tegenwoordig is kamp Irbid de duurste wijk van de stad. De mensen daar zijn heel erg slim. Die Palestijnen hebben veel winkels geopend, waar ze alles heel goedkoop verkopen. Daardoor gaat iedereen, mijn vrouw ook, daar winkelen. Nu vergaat het ze daar zo goed, dat ze van de gemeente mee moeten betalen bij het opknappen van wegen. Ik kan daar nu echt geen winkel openen; het is er veel te duur.”
Loewai had, na zijn terugkeer uit Nederland, wel een winkel geopend. Helaas gingen de zaken niet voorspoedig, waardoor hij nu bij een andere winkel in loondienst is. In Nederland heeft hij vooral in de randstad gewoond. Hij heeft een Nederlandse vrouw ontmoet, maar ondanks dat de liefde er zeker was, zat er geen toekomst in. Toen Loewai besloot terug te keren, wilde ze best met hem naar Jordanië, maar ze zou er niet willen blijven. “Ik ben als een vogel,” had ze gezegd. “Ik zal altijd uitvliegen.” Ze kan niet op één plaats blijven wonen, maar wil altijd onderweg zijn. Loewai vond een vrouw in Jordanië, waarmee hij nu twee kinderen heeft. Zijn Nederlandse vriendin komt af en toe bij ze vakantievieren.

We beklimmen het dak van het huis. Daarvandaan hebben we uitzicht over het land dat vroeger al van zijn grootvader was. Aan één kant van het ouderlijk huis, een klein gebouwtje aan de voet van het gebouw waar Loewai nu de eerste verdieping van bewoont, stonden voorheen druivenranken en olijfbomen.
“En daar groeiden de watermeloenen,” wijst Loewai naar de ruimte achter het ouderlijk huis. “Gingen we vroeger, als we trek in watermeloen hadden, met een groepje broers en neven samen stelen. Het was natuurlijk een spel dat we met onze opa speelden.” Nu staat het land vol met huizen. “Dit is het nieuwe huis van mijn broer.” De verdiepingen zijn al gebouwd, maar de muren missen nog. “Daar is nog veel geld nodig,” verklaart Loewai. Die daar is ook van een broer. Daarachter woont nog een andere. Hier, hier en daar wonen mijn zussen.”
“En de rest zijn allemaal neven en nichten?”
“Ja, het is allemaal familie. Mijn grootvader had achter elkaar vier vrouwen. Dit is het resultaat... Toen ik na jaren terug uit Nederland kwam, schrok ik me rot. Wat is er gebeurd, dacht ik. Het meertje waar we vroeger visten en zwommen was gedempt, de boomgaard was bijna helemaal weg. Het was hier een paradijs. Maarja, iedereen heeft een plek nodig om te wonen.”
Ik zie een brede strook asfalt, die, bergen bedwingend, zich tot in de verte uitstrekt. “Dat is zeker een spiksplinternieuwe snelweg?”
Verkeerde woordkeuze:“wat?”
“Die snelweg is zeker nieuw?”
“Ja, die is nog maar twee jaar oud. Hij wordt 'de dodenweg' genoemd, omdat er iedere dag een ongeluk is, daar in die bocht. Men komt dan net los van de drukte van de stad. Daar denken ze dan dat de weg groot is en gaan te hard rijden. Iedere morgen word ik gewekt door het geloei van de ambulances. Zie je die zwakke lichtjes daar, aan de overkant van de snelweg?”
Ik zoek even, maar zie ze dan.
“Dat zijn de bedoeïenen.”
Bedoeïenen langs de snelweg. “Dat zullen ze vroeger toch niet zo bedoeld hebben, vermoed ik.”
“Ja, de bedoeïenen hier wonen dicht bij het centrum van de stad. Die in het zuiden van Jordanië leven zijn origineler.”
Loewai wijst naar waar de lantaarnpalen van de snelweg achter een helling verdwijnen. “Daar is een heel mooi stuk natuur, waar mijn broers en ik vaak in het weekend een warme bron bezoeken. Als we van het weekend gaan, bel ik je. Dat is altijd heel gezellig.”

Loewai zijn vrouw zet ons een schaal vol kip en van het vet druipende aardappels en uien voor. Het is heerlijk. Tijdens het eten belooft Loewai dat we morgen met zijn vader naar het politiebureau in Al-Husn zullen rijden. Dan zal alles zo voor elkaar zijn, doordat zijn schoonzus daar werkt.
“Anders zouden we van het éne kantoortje naar het andere gestuurd worden, maar nu zal mijn zus zelf alle stempels verzamelen, waardoor het in één keer geregeld wordt. Soms levert die bureaucratie echt grote problemen op. Zo kwam laatst één van mijn collega's met een busje aanzetten, waarvan het kenteken aan de voorkant verschilde van het kenteken aan de achterkant. Na twee dagen lukte het me om hem op borgtocht uit de gevangenis te krijgen. Daarna duurde het nog twee dagen voordat ze klaar waren met het demonteren en terug in elkaar zetten van het busje. Je moet er altijd voor zorgen dat je niet opvalt.” Loewai vertelt dat Jordanië gebaseerd is op familiebanden. Families van 50 mensen zijn klein. Vijfhonderd leden is niet ongewoon. Als één van die familieleden ergens iets te verdelen heeft, zal hij dit in de eerste plaats zijn familieleden toespelen, hoeveelstegraads dan ook. “Daardoor spreekt niemand op het politiebureau Engels,” verklaart hij. “De mensen die gestudeerd hebben en daar solliciteren belanden op een wachtlijst, terwijl de banen naar de familieleden gaan.”

Zijn schoonzus en haar man, die natuurlijk op hetzelfde stuk grond wonen, komen samen binnen. Ik begroet haar in het Arabisch. Verbaasd vraagt ze me waarom ik niet eerder had laten merken, dat ik Arabisch kan spreken. Daarop vertel ik, dat ik, als ik iets met politie of douanebeambten van doen heb, vooral niet het idee wil geven dat ik hun taal begrijp. Als ik dat wel doe, dan stijgen hun verwachtingen van mijn taalgevoel al gauw tot een hoogte dat ik niets meer van ze begrijp.

Even later komt vader ook op bezoek. Samen met Loewai halen ze herinner- ingen op aan het bezoek, dat vader aan Nederland deed, toen zijn zoon daar woonde. Het dagje bij de Scheveningse visafslag had de meeste indruk gemaakt en Amsterdam en de Dom te Utrecht met vlag en wimpel verslagen. Loewai had ook in Leiden gewoond. We laten ons even gaan. Al gauw valt het gesprek op de kwaliteit van de appeltaartmix, die ze bij de Digros aan de Langegracht te Leiden verkopen. Met een Jordaan met een Nederlands paspoort in Irbid; de wereld is absurd.

27 juni 2010

Geen geld, geen honing

Ik wandel vanaf het huis richting de hoofdstraat om een broodje banaan te scoren. Nabij Achmed hoor ik vanaf de tweede verdieping van het huis op de hoek van de straat iemand 'Hollanda' roepen. Een vrouwenstem. Ik kijk op. De uitroep kwam van een meisje van mijn leeftijd met een stralende lach. Ze is juist bezig haar haren in een staart te doen. Ze draagt geen hoofddoek. Na enkele weken nauwelijks een meisje ouder dan twaalf jaar zonder hoofddoek te hebben gezien, weet ik niet hoe ik hierop moet reageren. De verbazing is dezelfde als die verbazing die ik had toen ik na enkele weken in West-Afrika een blanke over straat zag lopen. Een soort van schrik overviel me toen, tot ik me besefte dat ik zelf ook blank ben, waar ik blijkbaar in de loop der weken weinig bij stilgestaan had. Nu wéér is het bijna schrikken dat me overkomt bij het aanzicht van een meisje die haar haren laat zien. Vreemd; in Irbid, de stad die twintig minuten bus noordelijker ligt, lopen ze soms ook zo 'aanstootgevend' over straat. Alleen in de dorpen en ook in dit vluchtelingenkamp komt het eigenlijk niet voor. Na al wandelend kort bevestigd te hebben dat ik haar gezien heb, ben ik binnen enkele momenten al voorbij. Ze zag eruit als een leuke meid. Had ook in Leiden in de Ketelboetersteeg langs kunnen lopen. Dan had ik wellicht anders gereageerd. Hoe kan het, dat ik me niet beseft had dat hier in kamp Husn net zulke leuke meiden rondlopen als op alle andere plekken die ik bezocht heb. Toch heb ik er geen moment bij stil gestaan, simpelweg doordat ze, op een enkel akkefietje als deze na, onzichtbaar zijn. Ze bestaan niet. De enige meiden die je hier wel ziet, zijn zo ingepakt, dat je ze alsnog niet ziet. Dat maakt het bijzonder dat de mannen juist hier, in deze landen, vaak aan me vragen wat ik van het lokaal vrouwelijk schoon vind. Vraag in Nederland eens wat iemand van de palmbomen vindt...

Na bij een achtjarige groente- en fruitwinkelmanager drie bananen gekocht te hebben, steek ik de weg over naar de enige winkel waar ze 'gewone' pistoletbroodjes verkopen. Daar neem ik er twee van af. Dan loop ik naar Abed, die in zijn wasmachine- en koelkastreparatiezaak met een lasvlam een zwartverschroeid potje koffie staat op te stoken.
“Ik heb wel een gasbrander,” verduidelijkt hij, “maar zo gaat het sneller.”
Ik scheur de pistoletjes open, kleed de bananen uit en plet ze tussen de broodjes fijn. Een techniek die ik me in Mali eigen heb gemaakt, al hadden ze daar heuze baguettes. Het kan niet ontkent worden dat de Fransen in hun koloniën ook goede dingen hebben gebracht.

Na deze lunch wandel ik richting Shargabiel, waar ik vannacht terecht kan. Hij is wakker. Ennus en Abdallah zijn er ook. Op de twee kruipertjes na, die soms hun moeder weten te ontsnappen en de mannenkamer komen doen opleven, is Abdallah met zijn twaalf jaren veruit de jongste en dus is hij het, die de thee zet. Ennus en Shargabiel zijn beiden begin dertig. Ennus bestuurt de monstertrucks, die ze bij het afgraven van heuvels gebruiken. Daar verdient hij 300 dinar mee. Dat is te weinig, vertelt hij. Toch is dat het hoogste salaris dat ik tot nu toe gehoord heb. Nadat hij te weten komt dat ik door Bulgarije, Turkije en Syrië gereisd ben, vertelt hij over zijn tocht door die landen. Drie jaar geleden ondernam hij hem. Tot in detail noemt hij de bedragen op, die hij voor de bussen, waar hij met meereed, betaalde. Zou het de enige buitenlandse reis zijn geweest die hij ooit gemaakt heeft? De laatste bus bracht hem van Istanboel naar Edirne. Die 200 kilometers had ik zelf, op de heenweg, toevallig ook grotendeels per bus afgelegd. Nabij Edirne stak hij op een onbewaakt moment de grens over. De kans van zijn leven. Helaas kreeg de Bulgaarse grenspolitie hem al gauw te pakken. Na een maand gevangenis brachten ze hem terug naar de Turkse zijde. Daarvandaan reisde Ennus de 1800 kilometers terug. Terug naar het land waar hij, met zijn bevolkingsgroep, ook maar te gast is. Terug naar het vluchtelingenkamp.

Shargabiel was een soldeerder in ziekenhuizen, maar is nu al een paar jaar werkloos. Wel heeft hij laatst gesolliciteerd naar een baan als soldeerder in hotels, waarbij ze hem gemeld hebben dat ze hem zullen bellen, als ze een soldeerder nodig hebben. Door het chronisch geldgebrek, waar hij aan lijdt, is hij ook nog vrouwloos. Want als je geen geld hebt, kun je geen bruidsschat betalen en blijf je vrijgezel.
"Heb je broers en zussen?" vraagt Shargabiel me, als Ennus en Abdallah vertrokken zijn.
"Ja, één broer en twee zussen," vertel ik.
"Zijn je zussen getrouwd, Chaliel?"
"Eén is getrouwd. De ander niet."
"Kun je haar vragen of ze naar Jordanië komt? Ik wil graag met haar trouwen."
"Ik geloof niet dat ze tijd heeft om naar Jordanië te komen, Shargabiel. Ze heeft het nogal druk in Nederland."
"Mag ik dan haar e-mailadres, om haar te vragen of ze met me wil trouwen?"
"In Europa werkt dat anders. Eerst leer je elkaar kennen, en als het bevalt, dan ga je een paar jaar later trouwen. Of je trouwt nooit, als je daar geen zin in hebt. Het is niet zoals hier, dat de dag van je bruiloft ongeveer de eerste dag is dat je elkaar ziet."
"Toch wil ik het haar vragen. Vind je het dan niet leuk, als ik met jouw zus trouw?"
"Waarom neem je geen Jordaanse vrouw?"
"Ik heb geen geld voor een Jordaanse. De bruidsschat is te duur."
Blijkbaar verwacht hij dat Europese vrouwen goedkoop zijn; een veronderstelling waar hij nog wel eens bekaaid vanaf zou kunnen komen, mocht hij ooit zijn droom beleven. Hij houdt vol dat hij het mijn zus wil vragen. Ik geef hem natuurlijk niet haar e-mailadres. In plaats daarvan bied ik hem aan dat ik haar zelf zijn bericht verstuur. Daar stemt hij mee in. Hij start de computer op, die, met de enige stoel in de kamer erbij, een beetje vreemd staat, tussen al die op de grond liggende matrassen. Ik sta op van mijn matras en neem op de stoel plaats om kladblok op te starten. Dan bied ik hem de stoel aan en moedig hem aan om zijn epistel te schrijven. Enkele minuten zit hij voor het scherm, waar niet meer dan een regel tekst op verschijnt. Dan vraagt hij mij om wat op te schrijven. “Jij kent haar immers, toch?”
Om nou een liefdesbrief (en dan zelfs eentje waarbij van liefde nog lang geen sprake is) aan mijn eigen zus te schrijven wordt me toch een beetje te gortig. Toch neem ik zijn plaats over. Ik ben de beroerdste niet. Een beetje coaching zal hem wellicht goed doen. Op het scherm staat:“how are you?” Daarmee krijg je mijn zus niet in Jordanië.
“Oké Shargabiel, wat wil je haar vertellen?”
“Dat ik graag met haar wil trouwen.”
“Zo moet je dat niet aanpakken; dat gaat niet werken. Vertel eens wat over jezelf.”
“Maar je kent me toch al?”
“Ja, maar ik wil graag van jou horen wat je haar wil zeggen.”
“Wat dan?”
“Gewoon, wie je bent en wat je allemaal doet in het dagelijks leven.” Dat is een gemene vraag, aan een werkloze. Tot nu toe heb ik hem voornamelijk thee zien liggen drinken.
“Schrijf maar dat ik in ziekenhuizen soldeerder ben. Dat was mijn vorige baan. En dat ik nu hetzelfde in hotels ga doen.”
“En verder?”
“Vraag haar of ze met me wil trouwen.”
“Ik bedoel, wat doe je nog meer, behalve solderen? Heb je nog hobbies of sporten, die je beoefend? Dit is je kans om jezelf te verkopen, Shargabiel. Je moet haar er wel van overtuigen dat ze je terug moet schrijven, anders gaat het niet lukken.”
Ik zie hem even nadenken. “Nee, dit was het wel,” antwoordt hij. “Maar vraag haar of ze met me wil trouwen.”
“Dat past niet in een kennismakings e-mail.”
“Vraag haar dan of ze zin heeft om naar Jordanië te komen.”
“Ook daar is het wat vroeg voor. Je moet het langzaam opbouwen.”
“Dan houden we het hierbij.”
“Prima.” Ik schrijf er een persoonlijke begeleiding bij en verzend het bericht. Dan vertel ik Shargabiel dat ik een onderzoek wil doen over de UNRWA, dat een onderdeel van de Verenigde Naties is. Hij vertelt dat de UNRWA tegenwoordig niet meer zo goed is. Een jaar of 14 geleden gaven ze de leerlingen op school nog maaltijden, schoenen, broeken en jassen, herinnert hij zich van zijn jeugd, maar die tijden zijn al lang voorbij. Toch zegt hij dat de organisatie goed voor hem is. Het is belangrijk voor de Palestijnse vluchtelingen, vanwege het basisonderwijs en de basis gezondheidszorg, die het levert. Zelf gaat hij naar de tandarts van de UNRWA, en af en toe, als hij ziek is, naar het gezondheidscentrum. “Zonder de UNRWA kan ik niet leven,” zegt hij zelfs. “Maar geloof me, Chaliel, soms denk ik dat de UNRWA voor Amerika of Israël werkt. Israël doet dagelijks slechte dingen tegen de bevolking van Palestina en Libanon, maar de UNRWA spreekt ze daar niet op aan en houdt zijn mond gesloten.” Soms kan het gezondheidscentrum van de UNRWA geen goede behandeling geven. Dan sturen ze hem naar het staatsziekenhuis, waar hij geld voor zijn behandeling moet betalen. Had Shargabiel een baan bij de regering gehad, dan had de daar geleverde zorg gratis geweest. Nu hij niet werkt, laat staan voor de regering, kost het hem wel geld.

Zelf belandde ik ook eens in een staatsziekenhuis. Die nacht was ik onwel wakker geworden en had ik het nodige eruit gegooid. Helaas moest ik doorreizen. Midden op de dag werd ik door iemand in de hitte bij het ziekenhuis afgezet. Daar hebben ze me in een paar uur weer opgelapt. Wellicht had ik een voedselvergiftiging. De behandeling: een eerste hulp bed, een infuus en het één en ander aan medicatie, was voor mij kostenloos. Het consult was in het Engels. In het registratieboek zag ik dat alle patiënten in het Engels geregistreerd werden. Tegenover de lokale bevolking, die veelal alleen Arabisch spreekt, lijkt me dat niet zo netjes, maar voor reizigers is het erg prettig. Het ziekenhuis en de apparatuur zagen er prima uit. Niet voor niets vertelde een tandarts me dat de rijken vanuit het hele Midden-Oosten naar Jordanië afreizen om zich voor hun kwalen te laten behandelen. Dat kwam doordat veel Jordaanse artsen in de Verenigde Staten of Europa hun diploma halen, beweerde de goedlachse man met rode krullen.

Shargabiel vraagt waar ik woon.
“In Leiden, de stad waar ik studeer.”
“Woont de rest van je familie daar ook?”
“Nee, ik ben hier naartoe verhuisd, toen ik ging studeren.”
“Maar hoe vaak zie je jouw ouders dan?”
Ik vertel dat ik mijn ouders, als ik al in Nederland ben, eens in de drie weken een paar uur zie.
“En je broer en zussen dan? Wonen die bij jouw ouders?”
“Nee, we wonen allemaal apart.”
“En jouw zus dan?”
“Ook zij heeft haar eigen huis.”
“Dat is erg slecht Hoe kun je zonder je familie leven?”
“Dat is Europa, Shargabiel. Althans, noord Europa. In het zuiden is het alweer anders.” In zijn wereld leven familieleden hun hele leven bij elkaar. Een groot deel van de dag wordt besteed aan het drinken van thee met altijd dezelfde familieleden.
“Zeg Chaliel, heb je misschien foto's van je familie?”
“Wel een paar ja, hoezo?”
“Ook van je zus?”
“Welke?”
“Die waarmee ik wil trouwen. Hoe oud is ze eigenlijk?”

2 juni 2010

Beter een goede buur...

Ik wandel verder langs de hoofdweg en duik een zijstraatje in. Twee blokken verder maak ik nog een praatje met een paar jongens, waarbij al gauw een halve schoolklas van kinderen zich om mij heen verzameld heeft. Hoog boven ons balanseert een vlieger in de luchtstroom. Ik zeg de jongens gedag en wandel een ander nauw straatje door, op zoek naar de bron van dit plezier, dat me aan mijn jeugdvliegers doet herinneren. In deze straatjes kun je toch onmogelijk vliegeren? Plotseling zie ik er nog één! Het moet op het dak gebeuren; anders kan niet. Ik blijf staan om een foto te maken. Een jongen komt erbij staan en wijst achter me: nóg een vlieger! Hoe vaak zie je ze in Nederland nog? Ik heb geen idee; ik ben daar nauwelijks, en als ik er ben heb ik andere dingen aan mijn hoofd dan rondfietsen om te tellen hoeveel vliegers er in de lucht hangen. Maar hier is het in ieder geval alledaags vermaak. De jongen, die me op de derde vlieger wees, nodigt me uit om een foto van zijn kamer te maken. Muhammad heet hij. Hij is dertien jaar oud. Zijn vriendje Achmed, elf jaar oud, is er ook bij, maar zodra we bij de schutting, gemaakt van hergebruikte metalen golfplaten, aankomen en, nadat de vrouwen gewaarschuwd zijn, de binnenplaats betreden, blijft hij op straat achter. Het zusje van Muhammad, Hanan, staat bij het huis. Moeder Fatien komt gauw het huis uit. Wellicht heeft ze haar hoofddoek gauw even opgedaan. Ze hebben een leuke tuin. Boven een zitje van groengeverfte betonnen krukjes is met een paar balken een stellage gemaakt, waar weelderige druivenranken een aangename schaduw creëren. In de hoek van de tuin, waar een ladder en enkele lege petroleumblikken liggen, staat een palmboom. Daarbij is een groentetuintje van twee bij twee en nog een perkje met een rozenstruik. Een klein paradijsje binnen een overvol vluchtelingenkamp. Voor wat betreft de tuin tenminste.

Nadat ik één glaasje thee heb opgeslurpt komt een man de poort door.
"Dat is mijn vader," zegt Muhammad.
"Raoef," stelt de man zich voor. De zestigjarige man spreekt goed Engels. Een man die niet makkelijk praat. Zenuwachtig. Gestresst. Hij zit voortdurend in zijn handen te wrijven, behalve de vele keren dat hij zijn hand voor zijn mond houdt vanwege het hoesten. Psychische problemen?

Hij vertelt over zijn gezin en zijn verleden. Zeven jaar lang heeft hij in Beiroet, de hoofdstad van Libanon, voor de oliemaatschappij BP gewerkt. In die stad ontmoette hij zijn vrouw Fatien en kregen ze hun eerste dochter, Asia. Vervolgens verhuisden ze naar de Syrische hoofdstad Damascus, waar hun tweede dochter Hajer geboren werd. Na daar enkele jaren gebleven te zijn, verhuisden ze terug naar waar hij vandaan kwam, het vluchtelingenkamp te Husn. Daar kregen ze hun zoon Moehammad en dochter Hanan.

Zeven jaar geleden waagde hij zich op de door Israël bezette Westelijke Jordaanoever. Zijn zus woont daar in vluchtelingenkamp Jenin en hij wilde haar graag bezoeken. Hij bleef daar een tijdje werken, maar dit werd onverwacht onderbroken toen hij door Israël opgepakt werd. Dezelfde dag nog bevond hij zich in de gevangenis van Ramallah. Zes maanden wachtte hij tot hij voor het militaire gerechtshof verscheen. Zes maanden in een cel zitten wachten tot je ook maar een rechtszitting toebedeeld krijgt; stel je eens voor. Na de eerste zitting volgde een tweede, zes maanden later. Nog een half jaar duurde het voor hij vrij kwam. Hij zat gevangen omdat zijn dochter in Libanon geboren was, daardoor verdachten de Israëliërs Raoef ervan voor Libanon te spioneren.

Na deze 18 maanden werd hij vrijgelaten. 18 maanden lang kreeg hij niets te horen over zijn familie. Raoef protesteerde de hele periode zoveel als hij kon. De eerste 14 dagen van zijn detentie bleef hij in hongerstaking, tot de Israëliërs zijn ambassadeur erbij haalden. Die beloofde hem dat hij na een maand zijn familie zou terugzien. Raoef begon weer te eten. Na een maand vroeg hij zijn bewakers hoe het stond met de belofte dat hij vrij zou komen.
"Als je ambassadeur niets voor je doet, wat kunnen wij dan doen?" was hun reactie.
Raoef beantwoorde dat met acht dagen hongerstaking, waarop hij in het ziekenhuis werd opgenomen. Later hervatte hij zijn protest door 40 anti-hoge-bloeddruk-tabletten tegelijk in te nemen. De generaal van de gevangenis kwam bij hem langs en beloofde dat hij spoedig naar zijn familie mocht gaan. Toen ook dit Raoef te lang duurde slikte hij een kop zout door; zijn maag werd leeggepompt in het ziekenhuis, waar hij vier dagen opgenomen bleef. Een officier kwam bij hem langs en beloofde dat hij dezelfde dag nog naar Jordanië gebracht zou worden. Hij belandde in een auto, die van Ramallah naar Jeruzalem reed, een ritje van nog geen 15 kilometer, maar kreeg problemen doordat zijn bewakers zijn paspoort niet bij zich hadden. Ze beweerden dat ze zijn paspoort nooit in bezit hadden gehad. Dit was zeer onwaarschijnlijk, want hoe hadden ze anders kunnen weten van de reden van zijn gevangenneming, namelijk dat zijn dochter in Libanon geboren was? Dat staat in zijn paspoort aangetekend. Toch bleven de autoriteiten beweren dat ze zijn paspoort niet meer hadden. Zijn vrouw werd ingelicht dat zij in Amman, de hoofdstad van Jordanië, een tijdelijk paspoort voor hem moest regelen. Zij ondernam de tocht naar de immigratiedienst van Jordanië, maar de mensen achter de balie geloofden haar niet. Drie maanden later probeerde ze het nog eens. Deze keer had ze meer succes. Een paar dagen later zat Raoef hier, thuis, op de bank waar hij nu ook zit, terug bij zijn vrouw en kinderen.

En wat zit er nu naast mij? Een gebroken man. Hij vertelt dat hij sinds het uitgelopen bezoek aan zijn zus slecht hoort. Daarnaast is hij erg benauwd en hoest hij veel.
"Door de gasbommen," verklaart hij.
"Gasbommen?"
"Ja, die werden geregeld tussen de gevangenen gegooid."
"Waarom?"
"Zonder reden. Gewoon, als ze boos op ons waren. Iedereen ging er verschrikkelijk van tranen, en de geur was niet uit te houden. Geregeld kwamen er bij zo'n aanval oudere gevangenen om het leven. Ik heb er mijn astma aan overgehouden."
"Dat had u voor u in de gevangenis zat niet?" vraag ik ter controle.
"Nee, dat is daar ontstaan."

Op de achtergrond roept een kind om zijn moeder. Van verder weg hoor ik de opgewonden stemmen van spelende kinderen. Een krekel geniet tsjirpend net zoveel van Raoef zijn tuin als ik doe.


"En nu woon ik hier met mijn gezin, werkeloos. Kijk naar mijn huis: het is niets."
Zijn huis bestaat uit twee kamers, die los van elkaar staan. Links staat een stenen kamer, waar ook de badkamer en een keukentje aan vast zitten. De kamer rechts is van metalen golfplaten. Enige jaren nadat de vluchtelingen in tenten waren ondergebracht werden deze vervangen door zinken schuilhutten. De golfplaten daarvan zijn nog op veel plaatsen terug te vinden. De meeste als schuttingen of afscheidingen. Op enkele plaatsen worden ze nog als dakbedekking gebruikt. Raoef heeft nog zo'n schuilhut. Hij staat bijna in zijn oorspronkelijke vorm. Raoef heeft hem alleen een meter langer gemaakt.
"Zomers is het daarbinnen tergend heet. 's Winters vriest het er geregeld. Maar wat kan ik doen? Door mijn ziekte kan ik geen werk meer krijgen. We leven nu van een ziekenuitkering, die door de koning gelijkgesteld is aan het minimumloon van 150 dinar per maand" Dat is 174 euro.
"Met hoeveel mensen woont u hier?"
"Met zijn zessen. 150 dinar is niet te doen. Our life is too difficult."
Dat bedrag had ik voor mezelf ook gepind, hopende dat ik het daar in mijn eentje, gesteund door de gastvrijheid van mensen als Raoef en zijn gezin, een maand mee uit zou zingen.
"We krijgen ook steun van de UNRWA. Elke drie maanden geven ze melk, groenten, olie,
suiker en dat soort dingen. Voorheen was het iedere maand."
Hij vertelt dat ook één van zijn dochters ziek is. Tweezijdig nierfalen, blijkt later. Ernstig. Zijn andere dochter gaat dagelijks naar de universiteit in Irbid. Het collegegeld zelf is onbetaalbaar. In het geval van zijn dochter 1000 dinar per jaar. Hiervoor heeft Raoef een brief aan koning Abdallah geschreven, waarin hij hem vertelde over zijn armoede en dat zijn dochter graag naar de universiteit zou gaan, maar dat dit financieel niet mogelijk was. Een maand later werd hij door het kantoor van de koning gebeld, waarbij Raoef gemeld werd dat het geen probleem was en dat zijn dochter zonder te betalen mocht gaan studeren. Zijn brief, ondertekend door Zijne Koninklijke Hoogheid Abdallah de Tweede zelf, werd aan hem opgestuurd en alles was in orde. Nu kost de studie hun nog twee dinar per dag, voor de bus naar Irbid en wat voedsel voor onderweg.

"Kunt u geen leraar Engels worden? Uw Engels is goed genoeg."
Een onzeker schouderophalen is zijn antwoord. Waarschijnlijk is hij te zenuwachtig voor zo'n baan. Voer voor scholieren. Hij vertelt dat zijn vrouw, die juist hapjes van gehakt in deeg voor mij heeft neergezet, afgelopen jaar voor het eerst, sinds de 15 jaar die ze buiten haar land woont, haar familie heeft bezocht. Door geldgebrek.
"Je weet dat Libanon helemaal niet ver weg van hier is, toch?" vraagt Raoef.
"Ja," beaam ik, "ik kan er in één dag zijn." Hemelsbreed is het nog geen honderd kilometer.

Hij vertelt over Israëlische fabrieken bij de Jordaanse stad Al-Mafraq, waar zij van het lage arbeidsloon profiteren. "In Israël kost een werknemer 20 dinar per dag," verklaart Raoef. "Hier betalen ze 5 dinar per dag." Dat kunnen ze gemakkelijk doen door het hoge aantal werklozen onder de Palestijnse vluchtelingen, die het grootste deel van de Jordaanse bevolking vormen. Een erbarmelijke situatie waar ze zelf mede de oorzaak van zijn, en nu van profiteren.

"Je kunt hier blijven slapen," biedt Raoef aan. "Dan stoppen we de meiden bij moeder en slapen wij samen daar," zegt hij, op het stalen hok wijzend.
"Misschien een andere dag," antwoord ik. "Laat me het uitleggen; ik zou graag bij jullie overnachten."
"Ik vind het erg fijn dat je er bent," laat ook Raoef weten.
"Maar Moehammad heeft me ook uitgenodigd. Om half tien komt hij me bij het politiebureau ophalen."
"Dus je hebt vannacht een slaapplaats?"
"Waarschijnlijk wel ja."
"Mocht het toch niet zo zijn, dan kun je hier nog terecht."
We wisselen telefoonnummers uit. Vlak voor ik vertrek zegt Raoef:
"Ik ga even daar zitten; ik heb al een uur niet gerookt..." Dat zal ongeveer net zoveel kosten als het vervoer en de voeding van de universiteitgaande dochter.

30 mei 2010

De èchte Jordaniërs

Ik wandel naar de Bedoeïenen toe. Voordat ik ze bereikt heb roepen ze me al toe om thee bij ze te komen drinken.
"Ga zitten," nodigt Yoessoef me uit.
Ik steun met mijn hand op enkele kaalgegeten graanhalmen en de roodbruine grond daaronder. Mis; modder kleeft aan mijn vingers. Zou het schapenpis zijn? Of gewoon een leeggegooid glaasje thee? In ieder geval reden genoeg om er aandacht aan te besteden. Ik offer wat van het gekochte mineraalwater op en spoel mijn hand ermee af.

De mannen houden samen met enkele honden en een ezel 150 schapen in toom. Met name de honden doen het werk; de mannen zitten te genieten van de thee, welke in een van buiten verkoold theepotje op een kampvuur verhit wordt. De avontuurlijkste schapen, die vermoedden dat de halmen aan de overkant van de weg veel beter zouden smaken, worden met een paar welgemikte stenen tot de orde geroepen. Let wel, de stenen belanden voor de schapen. Ze mikken niet op de schapen. Natuurlijk vragen ze waar ik van plan ben de nacht door te brengen. Ik vertel ze dat ik graag wil kamperen. Ze waarschuwen me voor de wilde honden en slangen, waarop ik voorstel dat ik mijn tent bij die van hun neerzet. Daar hebben zij tot nu toe immers ook elke nacht nog overleefd. Dat mag.

Een overdekte Pick-up komt naderbij en stopt. Een man stapt uit. Een Palestijn, zo vertelt Yoessoef.
"Hij woont in het kamp," meldt hij erbij. De Palestijn nodigt me uit om bij hém te logeren. Ik geef aan dat ik dat graag doe. Bedoeïenen zijn leuk, maar in het kamp logeren is beter. Dat is immers waarvoor ik 5000 kilometer hiernaartoe gelift ben. En ik moet nog terug ook. Eén van de mannen, Sherab, scheert een schaap. Zodra hij daarmee klaar is stopt hij de wol in de zak die op de rug van de ezel hangt. Dan begeleidt hij de ezel de glooiing op, die tegenover het kamp ligt. Blijkbaar zien de schapen de ezel als de leider; zonder uitzondering lopen ze achter hem aan. Als zo'n ezel het toch eens in zijn bol zou krijgen om tegen zijn meesters, die immers toch alleen maar vrijwel de hele dag thee zitten te drinken, in opstand te komen en voor zichzelf te beginnen. Met zijn bestedingspatroon zou hij zo de tweeduizend euro bij elkaar verdiend hebben die het kost om illegaal een visum voor Europa te kopen. Een toeristenvisum voor één maand, wel te verstaan. Daarna ben je vogelvrij verklaard.

Nu de kudde weg is zien ook Yoessoef, Abdallah en hun collega's in dat het werk erop zit. Ook wij vertrekken. Yoessoef, de Palestijn en Abdallah gaan voor in de Pick-up zitten. Zelf word ik uitgenodigd om achterin plaats te nemen. Ik leg mijn tas op het rugvlak en geniet van zijn functionaliteit als comfortabele sofa. Naast me ligt een bij elkaar gebonden berg piepschuimen bakken. We vertrekken nog niet. De heren hebben nog een zaak af te handelen. De Palestijn koopt een schaap van de Bedoeïenen. Ze onderhandelen; voor ze tot een overeenkomst komen zakt de prijs van 130 tot 115 dinar. Dan wordt de auto gestart en rijden we een minuut of tien door de nacht. Eerst een stuk over het geasfalteerde landweggetje, dan over een onverhard pad door het land. De verkeerde kant op. Door het stalen hekwerk waar de ruimte waar ik in zit mee afgesloten wordt zie ik de verlichting van het kamp zich langzaam van me verwijderen. Vanuit de verte kijk ik recht de van beneden naar boven lopende wegen en stegen in. Dat geeft het geheel een georganiseerde indruk. Ik blijf ernaartoe staren tot een lage, met gemaaid graan begroeide heuvel zich tussen het kamp en mij in beweegt, waardoor mijn doel uit het zicht verdwijnt. Bij een tent op de vlakte houden we stil. Eenmaal uitgestapt wachten we enkele minuten, tot ook Sherab met de ezel, die de kudde schapen voortleidt, ons bereikt. De Palestijn is niet meegereden, merk ik nu. Ik vermoed dat ik vannacht bij Yoessoef overnacht.

Op zijn teken volg ik hem, Sherab en Abdallah naar de tent. Deze blijkt in twee ruimten verdeeld te zijn. Ze worden afgescheiden met een grote lap stof die doet denken aan jute. Aan deze wand hangt een soort tas, met rode vakjes. Het is eigenlijk meer een opslagkastje. Verder zijn van hetzelfde jute als waar de afscheiding van is gemaakt twee grote opbergvakken genaaid. De lappen tentdoek die ons het idee geven dat we binnen zitten zijn gemaakt uit aan elkaar genaaide rechthoekige zakken. De meeste zijn bruin en jute-achtig. Sommige stukken zijn van wit kunststof, een enkele bedrukt met blauwe inkt: 'Wheatflower'-'Gift of Canada'-'World Food Programme'. Daaronder staat een datum vermeld: oktober 2008. Was hier hongersnood in 2008? Is het een jaarlijks gehouden actie? Of had het alles te maken met de voedselcrisis van dat jaar, met de stijgende voedselprijzen, die vooral de armsten tot diep in de portemonnee trof?

Terwijl we met zijn vieren op de op het kleed liggende matrassen plaatsnemen komen Yoessoef zijn drie zoontjes op hem afgerend. Hij begroet ze stoeiend, waarbij de jongste het al gauw voor gezien houdt en van een afstandje toe gaat staan kijken.
"Dit is Machmoet, Moehammad en Aboed," stelt hij ze voor, als ze besloten hebben hun vader een momentje met rust te laten en zich genegen voelen mij de hand te schudden. Het zijn actieve kinderen. Vooral de twee oudsten teisteren elkaar, en ook hun vader, nu hij thuis is, voordurend met duwen, stoeien en plagen. Vaak wordt Aboed, in principe neutraal, bij de strijd betrokken als Machmoet niet zelf tegen zijn vader opspringt, maar in plaats daarvan zijn jongste broertje tegen hem aan torpedeert. Op Yoessoef na blijven ze het allemaal leuk vinden; er wordt geen enkele keer gehuild.

Mocht de voedselcrisis nog steeds het leven zwaarder maken dan het voor Bedoeïenen altijd al was, dan is daar vanavond in ieder geval niets van te merken. Zodra Sherab en Abdallah na de thee vertrokken zijn zet Moeniera een grote schaal met rijst, kip en groente in ons midden. Met de drie zoons erbij eten we ervan. Moeniera komt met een kleinere lege schaal langs en vult hem. Wellicht is dat voor de voor mij onbekende hoeveelheid vrouwen, die aan de andere kant van het doek verblijven. Machmoet maakt er een sport van met zijn lepel de rijst voor de lepel van Aboed weg te pakken. Hij besteedt hier zoveel aandacht aan dat ze beiden niet meer aan eten toekomen. Tot vader hem tot de orde brengt en hem de spelregels aan 'tafel' nog eens uitlegt: ook al eet je met vijf mensen op de grond zittend van één schaal, het is nog altijd de bedoeling dat je enigszins voor je eigen neus blijft wegscheppen.

Na het eten wordt het mysterie van de vrouwen opgelost. Nadat Moeniera de schaal weer naar de vrouwenkant heeft gebracht, die blijkbaar ook als keuken fungeert, komt ze terug met twee meiden van mijn leeftijd. Geen idee wat hun relatie met dit jonge gezin is. Op gepaste afstand, op een matras nabij de tussenwand, nemen ze plaats. Eén van de twee spreekt een paar woorden Engels. Daarmee vraagt ze me, terwijl één van de twee jonge geitjes, die allebei aan een paal van de tent gebonden zijn, het uiteinde van het koord waar hij mee vast zit naar binnen zit te werken, de standaard vragen. Bijvoorbeeld hoe ik een beetje Arabisch heb geleerd. Ik werp haar vanaf mijn matras het boek toe. Moeniera zet de gasfles vol open, zodat de lamp oplicht en het boek degelijk gelezen kan worden. Na er even doorheen gebladerd te hebben gooit ze het terug. Toch gezellig, dat ze er even bij mogen komen. Toch ernstig dat het me opvalt dát het deze meiden even toegestaan wordt om bij een gast in het mannenverblijf te komen zitten.

Voor het slapen gaan wijs ik voor de ogen van Yoessoef naar de bij benadering eindeloze zandgrond naast zijn tent en vraag: "toilet?" Redelijk belachelijk natuurlijk. Daar waar dag in dag uit ruim honderd schapen lopen vraag ik om toestemming of ik er wel mijn behoefte mag doen. Het mag. Ik wandel twintig meter van de tent vandaan om eerst mijn tanden te poetsen. Machmoet volgt me op de voet. Terwijl ik minutenlang mijn tanden uitvoerig sta te schrobben staart hij geobsedeerd naar me op. Eventjes weet hij zich van dit wonderlijke schouwspel los te rukken; een moment dat hij gebruikt om naar Moehammad en Aboed te spurten, die zich in de tent op hun nachtrust voorbereiden, en hen er gauw bij te halen. Dit moeten zij ook zien, moet Machmoet gedacht hebben. Nadat ik met drie slokjes water zowel mijn mond, als mijn tandenborstel gespoeld heb, is het tijd om te toileteren. Lachend probeer ik de jongens duidelijk te maken dat dat toch niets bijzonders is en dat de show dus feitelijk is afgelopen. Het dringt niet tot ze door. Met de zelfde verbaasd starende ogen en verwonderd openstaande mond, alsof ze zo in bedwang worden gehouden dat ze gewoonweg vergeten zijn hem te sluiten, kijken ze toe hoe ik mijn broek openrits en ga staan wateren. Dat brengt ze terug op aarde. Nu snappen ze het weer. Achter me hoor ik twee van de drie jongens mijn voorbeeld volgen; ze zijn sneller klaar dan ik. Als laatste wandel ik terug naar de tent. Machmoet ligt al bij zijn vader op het matras. Ik leg me neer op de mijne, verplaats het kussen tot voorbij het matras, zodat alleen mijn voeten nog maar uitsteken, en val al gauw in slaap.

Wanneer ik de volgende morgen door het zonlicht, dat door de open kant van de tent schijnt, gewekt wordt, verhangt Moeniera juist een stuk doek om mij terug in de schaduw te brengen. Yoessoef en zijn twee oudste zoons zijn al weg. Wellicht brengt hij ze met zijn auto naar hun school in het dichtstbijzijnde dorp. Aboed schuift een van mijn sandalen voort en immiteert het geluid van een vrachtwagen. Gewaagd, om mij alleen met zijn vrouw en de andere meiden achter te laten, waarvan ik vermoed dat zij zich ook nog aan de andere kant van het scheidende doek bevinden.
"Eet je bel'eh?" vraagt Moeniera mij.
Ik hum maar een beetje positief; geen idee wat bel'eh is. Moeniera is alweer door de nauwe opening de vrouwenkant binnengeglipt. Voordat de bel'eh bereid is maak ik gauw een paar foto's van de wereld waar ik nu, zoals altijd per toeval, in beland ben. Een Bedoeïenenkamp. Het heeft zijn charme. Vijf minuten later zet Moeniera een lekker omeletje naast mijn matras op het grondzeil neer. De volgende keer dat iemand het me vraagt zal ik uitroepen: Jazeker, ik eet bel'eh!

23 mei 2010

Het uitzicht op het beloofde land

Vanaf het centrum van Mashara wandel ik verder naar het noorden. Het zijn vooral de mannen, die over straat lopen en voor de winkels en eetgelegenheden rondhangen. Ze kijken me na. Een enkeling wenkt op een typische manier naar me, met zijn vingers naar de lucht en zijn handrug naar me toe. Daardoor kan ik, nu ik even geen thee wil, doen alsof ik denk dat het slechts zwaaien is, en op mijn beurt naar de uitnodiger terugzwaaien. Meestal zijn ze slechts gelokt door nieuwsgierigheid en ik zit aan mijn theetax; ik kan er niet meer van op. De thee op zich is het probleem niet; daar kan ik liters van wegdrinken. Maar de kilo's suiker die er doorgeroerd worden, dat gaat me zo tegen staan.

Toch laat ik me een paar winkels verder strikken. Vrouwen. Hier een ondervertegenwoordigd slag mensen, vaak diep weggestopt in de huizen en veilloos afgericht. Zo grondig, dat ik geregeld gesluierden weg zie duiken wanneer ik toevallig richting een geopend raam kijk, waar zij zich ophouden. Het straatbeeld wordt doorgaans met mannen gevuld. Van een groot deel van de vrouwen die zich toch op straat begeven zijn slechts de ogen zichtbaar. Vaak oude ogen, wat me dan doet afvragen wat ze eigenlijk nog te verbergen hebben. Soms prachtig opgemaakte ogen, af en toe naar mij kijkend, maar meestal wegkijkende ogen. Daar doe ik aan mee. Doordat de vrouwen zo overduidelijk hunzelf niet laten zien, doe ik mijn best om niet te kijken. Het doel van de allesafdekkende gewaden wordt wat mij betreft dan ook bereikt. Van velen is wel het gezicht te zien. Zij komen in dezelfde gradaties voor. Slechts bij een enkeling is het haar zichtbaar. Hoe contrasterend met de videoclips uit het vrijere Libanon. Syrië ook, zo is me verteld, al heb ik niet het idee gekregen dat de meiden van Damascus vrijer zijn dan die in Amman. In de grote stad zijn dan weer wel veel meiden die met hun haar lopen te prijken. Zoals het hoort, in mijn beleving.

Maar nu, hier in het dorpje Mashara, aan de rivier de Jordaan met uitzicht op 'het beloofde land', nodigen twee breed lachende vrouwen me vanachter enkele willekeurig aan een kabel opgehangen kledingstukken uit om bij hen te komen zitten. Op een klein jochie na is er geen man bij hen; een unicum. Daar besluit ik dankbaar gebruik van te maken. De jongere van de twee maant me in het Engels te gaan zitten. Ze is wat donkerder dan de meeste Jordaniërs, bijna negroïde zelfs. Vooral wanneer ze lacht doet ze erg Afrikaans aan. Dan steken haar relatief witte tanden scherp tegen haar gezicht af. Of eigenlijk Afro-Amerikaans; ze is een echte 'big momma'. Haar moeder niet. De oudere vrouw had een Peulh kunnen zijn; één van de vele stammen die ook in Mali leven. Zij doet me vooral aan deze stam denken door de blauwe tekenen rond haar mond. Die zijn ooit met inkt ingegraveerd, vertelt ze me later als ik er naar vraag. Dat vonden ze mooi toen ze jonger was, verklaart ze. Dat zie je veel, bij de Peulh. Maar ik geloof niet dat die stam zich tot aan Jordanië uitstrekt. Al zijn het wel nomaden. Wat dat betreft kunnen ze, net als ik, best zover gekomen zijn.

De oude dame, ik noem haar oud vanwege haar hevig berimpelde gezicht, heeft een hoofddoek om met gekleurde bloemen en een zwart vest. Daaromheen heeft ze een lap stof gewikkeld, opgerold tot een band. Haar armen zijn behangen met armbanden; drie gouden om de linker, een zilveren om de rechter. De gouden armbanden, toch al duidelijk in de meerderheid, worden versterkt door een zilveren ring met zwarte steen. Haar dochter Gitaam is moderner gekleed. Ook zij heeft een hoofddoek om, iets meer trendy dan haar moeder, en lippenstift op. Een groene wijde rok en een beige trui met korte mouwtjes kleden haar aardig af, al bewijst het feit dat ze me naar zich toe riep al enige verworven vrijheden. Vrijheden die volgens mij tamelijk ongewoon zijn in dit deel van de wereld. Al doen haar twee kinderen er alles aan haar zoveel mogelijk in haar vrijheid te beperken. Ze lijken de hele dag vooral bezig te zijn zoveel mogelijk van haar aandacht op te vragen. Haar dochtertje Kassandra, een mooi gezichtje met donkere krullen, hangt voortdurend om haar heen. Zoontje Gizgiz, vier jaar oud en nu al te zwaar, rijdt met zijn plastic fietsje voor en achteruit, niet oplettend wat er in zijn weg loopt. Daardoor rijdt hij tegen een man op die de naastgelegen winkel uitkomt.

Gitaam haar luide ringtone verstoort onze kennismaking. Ze graait met haar hand door de opening van haar decolleté en vindt daar haar mobiele telefoon. Zorgvuldig bestudeert ze de naam op het scherm. Na enkele seconden heeft ze het besluit genomen; deze keer neemt ze op. Tijdens het bellen loopt ze haar winkel in en komt terug met twee blikjes cola. "Here give Bepsi" gebiedt ze me, verradend dat ze wel degelijk Arabisch is. Het Arabisch kent geen 'p', waardoor alle internationale woorden waarin de 'p' op zijn plaats zou zijn geweest zich met een 'b' tevreden moeten stellen. Ook wordt gelijk duidelijk dat Pepsi cola Coca Cola hier in de slag der giganten lang geleden al verslagen heeft. Later is me zelfs een flesje Coca Cola in de hand geduwd met het bevel: 'drink Bepsi!'. Ik laat me door haar overreden. Ik neem het blikje aan en drink de cola; iets wat ik zoveel mogelijk probeer te vermijden. Het andere blikje opent ze zelf. Na een grote slok zet ze hem aan de mond van Gizgiz en vervolgens krijgt Kassandra haar deel. Wat over blijft is aan haar.

Turkiya begint te spreken. Gitaam vertaalt met haar gebrekkige Engels dat ze klaagt over dat ze alleen maar dochters heeft gekregen en haar nooit een zoon gegund is. Nu, tien minuten nadat we elkaar ontmoet hebben, vraagt ze me of ik misschien als een zoon voor haar zou willen zijn. Ik vind het prima, voor een paar dagen, en zeg ja. Nog een uurtje blijven we voor de winkel zitten, waarin Gizgiz en Kassandra de concurrentie met moeder haar mobiele telefoon nauwelijks aankunnen. Ondertussen vertelt ze me over haar 'American dream'. Jaren geleden was een Amerikaan in Mashara neergestreken, die haar op een heugelijke dag ten huwelijk vroeg. Gitaam had daar wel oren naar, maar Turkiya, die het heerlijk vindt om door al haar dochters omringd te worden, wilde er niets van weten. Het feest ging niet door. De man vloog terug naar Amerika en Gitaam trouwde een lokale man. Die zit nu al vier jaar in de gevangenis, beeldt ze met gekruisde armen uit. Ik zoek het woord, dat ze erbij uitspreekt, nog even op in mijn woordenboek, om me ervan te verzekeren dat ik het goed begrepen heb. Binnen twintig minuten heeft ze de grootste misères van haar leven met me gedeeld. Met haar man in de gevangenis wordt ze zelf door haar moeder vastgehouden. Graag zou ze een visum voor Amerika regelen om daar haar eigen huis, auto en leven af te halen, maar haar moeder is onverbiddelijk. Dat de eigen huizen, auto's en levens ook in Amerika niet aan de boom groeien vergeet ze voor het gemak; zij heeft een droom, en die wordt verwezenlijkt zodra ze in Amerika is. Hoe anders is de werkelijkheid. Vader is twee jaar geleden overleden. Sindsdien slaapt Gitaam iedere nacht bij Turkiya en past ze voor haar op de winkel. De winkel, waar ze juist de kledingstukken van de lijn haalt en naar binnen brengt.

Dan loop ik achter Gizgiz, Gitaam en Kassandra aan en voor moeder uit naar haar huis. Het heeft een prachtig uitzicht over de eerste bergen van Israël en is simpel ingericht. Op de witte tegelvloer liggen aan de lange kanten van de kamer, waar we het huis binnenkomen, vier matrassen. In afwachting van de thee nemen we op drie daarvan, die leeg zijn, plaats. Bovenop de vierde ligt een stapel dekens, die 's avonds en door de dag heen over mensen die in slaap gevallen zijn uitgespreid worden. In slaap vallen is makkelijk hier. Men leidt hier een liggend leven. Als mannen thuis zijn, liggen ze meestal op een matras voor de televisie. De ideale houding om in slaap te vallen. Als iemand anders dat ziet gebeuren loopt deze naar de stapel dekens en legt er één van over de slaper heen.

Achmed komt thuis. Ondanks Turkiya haar eerdere uitspraken beweert hij toch haar zoon te zijn. Hij is zanger en zal vanavond op een bruiloft optreden. Ik word door hem uitgenodigd. Natuurlijk ga ik mee. Moeder is tegen, maar daar trek ik me niets van aan. Ik heb niets tegen lokale moeders, maar ik laat me er niet door in mijn vrijheid beperken. Vriend Ali voegt zich bij ons. Samen stappen we in een busje dat voor ons klaarstaat. Deze brengt ons een kilometer de berg op richting de resten van de Romeinse stad Pella. Daar hebben we een prachtig uitzicht over de Jordaanvallei, met aan de overkant 'het beloofde land'. Meerdere keren is het zelfs beloofd. Zowel aan de Arabieren als aan de Joden. Zonder er te diep over na te denken vermoed ik dat dat de oorzaak is van de huidige problemen.

Op een splitsing worden we afgezet. Middenop de splitsing is een metalen stellage geplaatst, waarop een afbeelding van koning Abdullah de tweede in een vlot t-shirt met zijn armen omhoog staat. De foto is gemaakt ter ere van een voetbaltoernooi, neem ik aan, maar op een feestje als deze misstaat het niet. In de toren, die op zijn plaats wordt gehouden met handgeknipte vlaggetjes en kabels vol lampen wordt een muziekbox gehangen. Aan beide kanten van de splitsing wordt een lange rij stoelen klaargezet. In de berm van één van de wegen wordt een keyboard klaargezet. Kinderen zitten ongeduldig op de stoelen. Het doet me denken aan het kinderfeestje, dat ik twee jaar eerder in Mali meepakte. Misschien was dat zelfs iets professioneler, maar de sfeer voelde hetzelfde. Geregeld rijdt een auto tussen de twee rijen stoelen door. Ik denk eraan te vragen hoe laat de bruid en bruidegom zullen komen, maar de bruidegom blijkt die jongen die de hele tijd zenuwachtig heen en weer loopt en verder is het een vrijgezellenfeest. Het trouwen komt pas morgen. Bovendien zitten de mannen en vrouwen ook op het bruiloftsfeest zelf natuurlijk het grootste deel van de tijd apart. Dat doen ze hun hele leven, dus dan ook. Een vrouwloos feestje. Dat wordt vast gezellig...

Plotseling is het feest. Ze hadden geen begintijd. Ze bouwden gewoon op en toen dat zo'n beetje klaar was en de microfoon getest was, begon het feest. De collega van Achmed staat achter het keyboard en Achmed zingt in de microfoon. Af en toe wisselen ze om, maar dat houden ze nooit lang vol. Een aantal mannen gaan met de armen om elkaar heen op een rij staan. Een oudere man krijgt een stok in de hand. Daarmee is bepaald dat hij de pas aangeeft. Zo gaan ze het plein rond. Eerst vind ik het knap dat ze allemaal min of meer precies de passen kennen, ook wanneer, op het teken van de man met de stok, ze wat wilder springend gaan dansen; maar nog steeds synchroom! Dan bedenk ik me dat hier ruim honderdvijftig mannen zijn en dat die dus van jongs af aan een paar keer per jaar zo'n vrijgezellenfeest meemaken. Na een paar keer stuntelen lukt het je wel.

Enkele jongens schenken geregeld Arabische koffie en water uit. Voor mijn hoek wordt thee besteld. Twee keer komt een blad vol bekertjes bessensap langs. Eén keer krijg ik de kans er van mee te drinken. Zoals verwacht in islamitisch Mashara een alcoholvrij feest, maar de emoties en vreugde is er niet minder om. Ook blijven er stapels stoelen aangesleept worden. Rijen dik staat men in een cirkel op de splitsing, met in het midden voortdurend een sliert jonge mannen en kinderen die continue dezelfde passen maken, geregeld auto's, die tussen de rijen stoelen doorrijden, in de weg zittend. De muziek begint iedere keer hetzelfde. Eigenlijk is het een aaneenschakeling van vaste elementen. Het begint rustig, slaat dan plotseling om in dance en soms zit er een vleugje rock in verwerkt. Een nummer duurt langer dan een uur, waarin Achmed prachtig zingt. In golven, alsof hij iedere keer even nadenkt voor hij weer een nieuwe mededeling doet. Bijna prekend, eigenlijk. Halverwege de avond bemerk ik dat het toch niet geheel vrouwvrij is. Achter het prikkeldraad, dat achter mijn stoel gespannen is, staan een paar meiden naar de dansende jongens te kijken. Als er een stilte valt lopen de spanningen gelijk hoog op. Zo lijkt het een licht ontvlambaar volk. Ik heb natuurlijk geen idee waar het om gaat. Ik merk het vaker. Met name binnen de familie van Gitaam is de grens tussen vriendelijk praten en vijandig schreeuwen flinterdun. Tweemaal komt een gesluierde oudere dame met een doos naar de zijkant van de menigte en strooit apart verpakte cakejes in de groep dansende jongens. Het feest gaat tot rond twaalven door tot alleen de koning nog eenzaam met zijn handen in de lucht staat. Opgetogen in de richting van 'het beloofde land' kijkend. In de juiste kleding, dat wel; meer jongens hadden een voetbal t-shirt aan. Met name FC Barcelona en Real Madrid zijn populair. Als alle vrouwen, die achter het prikkeldraad stonden, verdwenen zijn trekt een groot deel van de mannen zich in die tuin terug. Achmed en ik blijven ook nog even. Op grote schalen wordt mensev aangevoerd. Met zes of zeven man hurken we neer om een grote berg geel gekruide rijst, die bovenop een plak brood ligt, met nootjes en kip erbovenop. Daarover wordt verdunde gekookte yoghurt uitgeschonken. Het is heerlijk. We eten allemaal met onze handen, tot Achmed een lepel voor mij bestelt. Niet dat ik daar waarde aan hecht, ik integreer liever, maar hij blijkbaar wel. Ik vervolg de schranspartij met een lepel. Voor we naar huis gaan buurten we nog even bij Achmed zijn aanstaande echtgenote. Samen zullen ze na hun bruiloft komende maand in het huis gaan wonen, dat nu bovenop Turkiya haar kamers gebouwd wordt. Anderhalve week later belde ik Gitaam op en vroeg naar het op handen zijnde feest. "No marry" liet ze me weten. "We hebben nu geen geld…"

30 april 2010

Fantastisch Syrië

Stel: als vroom Christen loop je om half tien 's avonds vanaf je huis door de prins Bernardlaan om in de kerk om de hoek de late mis bij te wonen. Een ongeschoren knaap met een Zuid-Amerikaans voorkomen benadert je vanuit de duisternis en zegt, eenmaal dichterbij gekomen "koedinabond". Natuurlijk zeg je goedenavond terug, maar nu begint de vreemdeling nog meer moeilijk te plaatsen klanken uit te stoten en heeft het over de 'Gaanse Zans'. Je herkent een Spaansachtige intonatie. Helaas ben je het Spaans niet machtig. Maar je zoon wel, dus je wenkt de buitenlander met je mee en roept je zoon uit je huis, twintig meter verderop. Deze komt naar buiten en vraagt de Zuid-Amerikaan wat hij nodig heeft. Graag wil hij weten waar de Zaanse Schans is. Maar dat is pas voor morgen. Nu zoekt hij een plaats voor de nacht. De zoon nodigt de vreemdeling uit om in de woonkamer plaats te nemen en meldt spoedig, na de avondmis, terug te komen. Terwijl je met je zoon verlaat de kerk betreedt wordt voor de gast de thee al verzorgt en de maaltijd bereidt. Eenmaal teruggekeerd richten jullie je aandacht de hele avond op de jongen, die gewoon een groetende voorbijganger had kunnen zijn, en zodra jullie aan nachtrust toe zijn maakt de zoon, zonder het ook maar besproken te hebben, een bed voor de gast op en laat hem met zijn laptop en onbeperkt prepaid internet in de woonkamer achter.
Realistisch in Nederland?

Welkom in Syrië. Welkom in de ‘as van het kwaad’.


Onder het gezang van drie imams wandel ik door de donkere straten van Muhanbil. De eerste man die ik tegenkom onderbreekt voor mij zijn gang naar de moskee. Ik spreek hem aan met 'goedenavond', voeg er 'uit Holland' aan toe en noem vragend 'Serjilla?' Zonder twijfel loopt hij met mij terug naar het huis waar hij vandaan kwam, twintig meter verderop. Daar roept hij zijn zoon erbij, die Engels spreekt.
"Wat wil je?" vraagt Amzjed.
“Naar Serjilla” antwoord ik. “Morgen” voeg ik er gauw aan toe. “Nu zoek ik een plaats om de nacht door te brengen.”
“Ik plaats je nu even in het huis van mijn vader” zegt hij kordaat. “Dan kom ik over tien minuten, na het gebed, bij je terug.” Bijzonder is de vanzelfsprekendheid waarmee hij me onder zijn hoede neemt. Natuurlijk kan ik bij de eerste de beste persoon met wie ik contact leg terecht.

Terwijl Amzjed en zijn vader Hassan hun religie eer betonen schenkt een neef, die bij hen verblijft en ook Hassan heet, thee voor me in. Ik pak mijn Arabische leerboek erbij en begin tot Amzjed terugkomt, tegen hem te brabbelen. Amzjed is schipper en vaart op contract. Dit betekent dat hij iedere zes maanden opnieuw naar werk op zoek moet.

De verwachting dat ik dokter word lekt uit. Vader Hassan loopt de kamer uit en komt terug met verschillende planten. Geneeskrachtig, laat Amzjed weten.
“Deze normaliseert de hartslag. Zowel als hij te laag is als wanneer hij te hoog is.” Na iedere maaltijd een stukje stam van de tweede is ideaal voor mensen die zichzelf te dik vinden. Na dit een maand gedaan te hebben zal de gebruiker een stuk slanker zijn, verzekert hij. “Maar ik raad je af om deze te gebruiken; hij laat je veel naar het toilet rennen.” De derde breekt calciumfosfaat af en is daarmee hét antwoord op nierstenen. De laatste verhoogd de werking van een handvol hormonen en heeft dan ook vele toepassingen. De keuze valt op de eerste, hazemboel genaamd, die uit trossen gele bloemen bestaat. De thee die we ervan zette is lichtgeel gekleurd. Het uiterlijk van de plant komt me bekend voor.

Vader Hassan is leraar. Hij geeft scheikunde, biologie en geologie aan klassen van vijftig leerlingen van 14 tot 19 jaar in de school een halve kilometer verderop. Nadat hij me vertelde dat zijn leraar nog in Amsterdam gestudeerd heeft, jaren geleden, verlaat hij nogmaals het gastenverblijf en komt terug met enkele tarwehalmen. Terwijl Amzjed vertelt dat er een ‘griep’-plaag heerst haalt vader Hassan zijn microscoop erbij. Met het flinterdunne afdekglaasje schraapt hij wat van een stengel op een steunglaasje. Na het schraapsel met het afdekglaasje afgedekt te hebben zoekt hij een ‘griep’-beestje op. Ook ik krijg een kans dit wezen te aanschouwen. Hij is gevormd als een bolletje met een aantal sprieten eraan. Als iedereen zijn interesse getoond heeft richt hij het oculair op een spriet van een tarwekorrel. Daarop is in een kleinere vergroting een bolletje te zien. Ook dat is de ‘griep’.
“Dit graan was bedoelt voor de export” vertelt Amzjed. “Nu is het dood. Dat is een groot probleem voor Syrië.”

Amzjed zoekt voor mij op internet een kaart van de regio, maar het internet is nostalgisch traag. De download snelheid is 4 kilobyte per seconde. Dat werkt niet. Bovendien is het onnodig, maar dat wil Amzjed niet van me aannemen. Vader Hassan heeft namelijk al met veel precisie een kaart voor me uitgetekend. Daarop heeft hij een tiental plaatsen genoteerd die de moeite waard zijn om te bezoeken.

Wanneer Amzjed, zijn vader, zijn neef en de andere aanwezigen naar bed gaan word ik met Amzjed zijn laptop achtergelaten. "Gebruik zoveel internet als je wilt" laat hij nog weten. "Dit prepaid kaartje is nog 12 uur geldig."

De volgende morgen brengt Amzjed me, na een heerlijk traditioneel ontbijt, tot bij een thee en koffie kraampje bij de ingang van Muhanbil. Zelf is hij onderweg naar de kuststad Tartus om bij de haven te vragen of er werk voor hem is.
"Om acht uur ben ik terug" belooft hij. "Je bent uiteraard welkom om bij ons terug te komen." Dat lokt me wel. Het is een gezellige en interessante familie.
"I might" laat ik weten. "It depends on what happens today."


Terwijl ik de weg oversteek remt een auto af om koffie te halen. Vanuit het open raam zegt de man op de passagiersstoel "how are you?" en zonder mijn antwoord af te wachten vervolgt hij al "welcome!" Als ze vijf seconden later bij het uitstappen zien hoe ik de eerste open bestelwagen probeer aan te houden wenken ze me al. Na thee te hebben gekocht brengen ze me naar een splitsing acht kilometer verderop. Daar begint de weg naar Bara, de grootste van de spookdorpen, waar er in het noordwesten van Syrië 700 van schijnen te zijn. Door mijn vluchtig bezoek aan het Turkse Capadocië heb ik nu mooi een dag de tijd om er enkelen te bezoeken. Met veel getoeter manen de mannen het tweede open bestelbusje dat langsrijdt tot stilstand en zorgen ervoor dat de bestuurder me op de juiste plaats afzet. De wagen is volgeladen met mooie planten; het zal een hovenier zijn. Bij de levende stad Bara, die aan een uiteinde van de immense hoeveelheid ruïnes van het klassieke Bara gebouwd is, slaan we een smalle weg in. Te midden van de oudheid laat de hovenier me achter. Machtig is het eerste wat in me opkomt. Waanzinnig ook. Een enorm gebied vol met stapels stenen, die in een ver verleden georganiseerd zijn geweest. Op veel plaatsen zijn de muren en bogen nog intact. Daartussenin liggen versgeploegde veldjes met olijfbomen in korte rijen. ‘Was dit veldje vroeger een woonkamer?’ gaat er door me heen. ‘Een binnenplaats misschien?’
Geen hek, nog paden belemmeren mij in mijn mogelijkheden. Gewoon vrijelijk rondstruinen naargelang mijn eigen ingevingen. In de verte zie ik een kleine piramide, bijzonder intact. Ik stel tot doel die te bereiken. Eenmaal bij de holle piramide aangekomen, die, zoals we dat van piramides gewend zijn, als graftombe diende, gun ik mezelf, onder het genot van de baklava van Serpil, een lesje Arabisch toe.


Plots begint het met vlagen te waaien. Ook de lucht wordt dreigend gekleurd. Ik loop naar de weg. Een motorrijder komt langs. Ik zwaai niet. Hij stopt. Achterop.

Op de kleine bochtige weg rijden we rustig. Op de hoofdweg niet meer. We halen andere motorrijders in en doorkruizen zo levendig Bara. Het geeft me het gevoel dat dít het échte leven is. Zo achterop de motor neem ik even deel aan hoe het er hier nou echt aan toe gaat, zo tussen gesluierde vrouwen, kinderen die karretjes meezeulen, onvoorspelbare collega motoren en dodelijke tegenliggers ontwijkend. Even geef je je over aan de man die je bestuurd, vertrouwende op iemand wiens taal je niet spreekt, wiens levensdoel je niet kent; gewoon meegaan met de stroom van het leven.

Zo racen we de stad uit. Zand waait in mijn ogen. Zou hij, brilloos zelfs, daar geen last van hebben? Onvoorstelbaar.


Ik besluit te proberen de twee en een halve kilometer, die zich tussen Serjilla en het kruispunt waar de man me achterlaat uitstrekken, lopend af te leggen. Kinderen zeggen "hello, how are you" en lopen door. Niets geen 'cava le bonbon', zoals ik dat in Mali gewend was, waarbij de kinderen de hand al ophielden om de beloning voor het 'cava'-zeggen te ontvangen. Oprechte vriendelijkheid. Het is even wennen. Even later vraagt een jongetje me of ik misschien trek heb. Ik heb al teveel en bedank.

Halverwege kom ik nog zo'n verloren dorpje tegen, die ik even doorkruis voor ik mijn weg vervolg. Dan Serjilla; wat getoeristiseerd, maar niets vergeleken met de gekte die ik twee dagen eerder in Capadocië beleefde. Tien mensen lopen van de ene informatieve tekst naar de andere. Zo spreek ik een Duitser en vier mensen uit Frankrijk. Allen zijn ze gepensioneerd, al loopt later ook een koppel langs, waarvan de vrouw een kind op de buik heeft. Bij het vierde informatieve bord komt een lokaal uitziende jongen naar me toe. Hij heeft donker krullend haar en draagt een mooi geweven vest. Zo goed en zo kwaad als het gaat maken we in zijn taal een praatje. Hij woont onderaan de heuvel, wijst hij, en hoedt schapen. Ook geiten, zie ik een kwartiertje later, als ik hem, nadat hij me na een oprechte groet verliet, bij een stapel stenen weer opzocht. Zijn collega, die op een eeuwenoude muur ligt, ziet er minder plattelands uit, zo in een t-shirt en met een pet op. Ik pak het brood van Salah en de olijven van Serpil erbij. De herders helpen me op mijn aandringen door de eerste hand olijven heen. Er blijft nog voor twee gezinnen over.
Honderd en tien schapen hebben ze. De herder met krullend haar schrijft het in mijn getallensysteem voor me uit: '10010' schapen. De jongen met pet verbetert hem. Daarbij hebben ze nog zeven geiten. Ik vraag ze naar het plaatsje Kafr Roma, de volgende in het rijtje van Hassan. Ze wijzen in de richting van een stad, even verder in het dal. Lopend ga ik op pad. Al gauw zit word ik gereden. Doordat ik niet goed oplet rij ik Kafr Roma voorbij en beland ik in de stad Ma'arrat An Nu Mar. Bij een mooie moskee in het centrum word ik afgezet, waar ik besluit mijn doel te verleggen naar Jeradeh, een andere noemenswaardige van de 700 dorpen. Al gauw spreken de winkeleigenaars me aan. Ik vraag één van hen hoe ik bij de snelweg kan komen. Een passerende man belooft me de goede richting te wijzen, maar eerst belanden we in de kelder van een theehuis. Daar is een biljartruimte ingericht, die me een beetje schimmig aandoet. Zoals overal in Syrië bestaat de verlichting uit TL-buizen; niet echt sfeervol. De spinnenwebben, het stof en de vergane meubels doen de rest. De twaalf jongens en mannen die er bij een televisie thee zitten te drinken maken het helemaal af.
Eén jongentje, veel te jong, lurkt schuldbewust mijn kant op kijkend aan een sigaret. Ik krijg een plaats op de bank toegewezen. Even absorbeer ik alle aandacht, maar al gauw word deze weer op een laptop gericht, waarop ze gezamenlijk 'Who wants to be a millionaire' spelen. Terwijl ik een glaasje gezoete thee aangeboden krijg heb ik in het Engels een standaard praatje met de man die me naar binnen geleid heeft. Dan komt er een vraag waar de jongens enige moeite mee hebben. De Engelssprekende man vraagt me of ik verstand van de Romeinen heb.
"Ik kan het proberen" antwoord ik.
"Oke, welke taal spraken de Romeinen? Grieks, Hebreeuws, Latijn of Romeins?"
Dat zou ik moeten weten: "Latin".
Het bleek het juiste antwoord.
"Zo, wat wil je nu doen? Nog een glaasje thee, een potje biljart of op naar de snelweg?"
"Ik wil graag weten wat de volgende vraag is" zeg ik lachend.
"Oeh, das een lastige voor je" voorspelt hij, en dan houdt hij een heel verhaal op over een of andere Arabische vertelling om dan te vragen hoe de dochter heette waar het in het verhaal om draaide.
"Okay, let's go" was wederom het juiste antwoord.


We liepen verder via de hoofdweg, tot we afsloegen en een hoger gelegen achterafstraatje indoken. Hij liep een kleine werkplaats binnen. Ik volgde hem. Daar zijn drie mannen aan het werk. Eén van hen zit op de grond schapenhuiden uit te leggen, om vervolgens met een mal grote stukken eruit te knippen. Waar hij een stukje huid tekort komt vult hij met de restjes van een ander schaap een stukje aan. Een ander zit achter een naaimachine en verwerkt de verknipte stukken huid tot een vest. De derde schenkt ons thee in.
"Doen jullie dat ook zo in Nederland?"
"Nee" zeg ik met zekerheid. Ik kan me niet herinneren in Nederland iemand in schapenleder te hebben zien rondlopen. Maar het zet me toch aan het denken. Wat doen wij eigenlijk met onze schapenhuiden? Exporteren misschien?

Na nog een glaasje thee wandelen we verder. De man laat me achter bij het busje, dat langs afslag Jeradeh zal rijden. Niet wat ik wilde, maar ik besluit er toch maar in te stappen. Zestien eurocent onkosten kan ik dragen. Alleen jammer dat ik weinig zie, vanuit zo'n klein busje. De ramen zitten te laag. Dan is voorin een auto toch prettiger.

Bij de splitsing, waar ik na een "welcome in Syria" netjes afgeleverd word, wandel ik voorbij het bord 'Ruins of Ruweiha and Jeradeh this way'. Dan maak ik een foto van het landschap. Een jongeman komt naar buiten en nodigt me uit voor een kopje thee. Binnen blijken ze met zijn drieën pauze te vieren van de bouwwerkzaamheden waar ze mee bezig zijn. De zonnebloempitten die me aangeboden worden kan ik gelukkig afslaan, maar in plaats daarvan moet ik het pakje koek toch echt aannemen. Laten zien dat ik al koekjes heb zet geen zoden aan de dijk. 'Dan eet je ze morgen maar op' zie ik de bouwvakker denken. Als ik aanstalten maak om mijn weg naar Jeradeh te vervolgen loopt de man die naast me zat al naar zijn motor, start hem en nodigt me uit om achterop te gaan zitten. Voor de tweede keer die dag lever ik me over aan de grillen van een motorrijder. Een paar kilometer voor Jeradeh rijden we door Ruweiha. Vanaf de motor raak ik al onder de indruk. Dat niet in de laatste plaats door de levende huisjes die tegen de ruïnes aan gebouwd zijn. Ik geef aan mijn weldoener door dat ik hier graag gedropt wil worden. Hij rijdt nog even de 'oprit' van het dorp op en laat me voor een intact tempeltje met een rij pilaren voor de gevel achter.
Een jong koppel stapt ook van een motor. Het meisje is, zoals dat hier volgens velen wenselijk is, van top tot teen in zwart gehuld. De jongen begeleidt haar in luchtige zomeroutfit. Als ze, na even uit het zicht geweest te zijn, een rudimentaire deuropening doorkomen en mij zien herschikt ze zenuwachtig haar gezichtsbedekking. Ik laat ze met rust en wandel verder tussen de resten door.

Verder van de geasfalteerde weg waarover ik aangekomen ben zie ik enige levendigheid. Van een afstand zie ik mensen met hun dagelijkse beslommeringen rondlopen. Ik besluit een bezoek aan hen te brengen. Immers dit is wat ik wilde zien; hoe mensen temidden van eeuwenoude ruïnes een leven hebben opgepakt. Eenmaal dichterbij word ik door twee meisjes van een jaar of vijftien ontdekt. Als ik vraag of ze misschien in één van de tenten wonen lachen ze me hartelijk uit. "Natuurlijk niet! De tenten zijn voor de schapen!" roepen ze schaterend. Zij wonen in het blauw en wit beschilderde huisje, dat ik al van verre had zien staan. Het steekt een beetje vreemd af tegen de achtergrond van de hoge ruïne, die Ruweiha markeert. Het geeft de indruk dat de mensen, die nu hier wonen, minder groots kúnnen bouwen dan men dat vroeger kon. Dat is natuurlijk niet persé waar. Deze mensen hebben zo'n paleis als hun huis voorgegaan is gewoon niet nodig, vermoed ik. En financieel zal het tij ook wat minder mee zitten. De meiden zijn benieuwd of ik wat te eten voor ze heb. Aan beiden geef ik een brok van de halve Frieze kruidrepenkoek die de reis van duizenden kilometers tot dan toe overleeft had. Dat lekt uit. Ook de tante en een hoogzwangere buurvrouw delen mee. De volgende keer dat ik Frieze kruidrepenkoek eet zal in Nederland zijn. Maar dat geeft niet; het is één van de best besteedde Frieze kruidrepenkoeken die ik in mijn bezit heb gehad. Wat fijn dat er eindelijk Syriërs waren die míj om eten vroegen, na alles wat ik al van hen en de mensen uit andere landen heb ontvangen.


Na hun wereld vanuit alle perspectieven in beeld op mijn geheugenkaartje op te hebben geslagen, wandel ik in de schemer terug naar het asfalt. Jeradeh laat ik voor wat het is. De zon zakt te snel. Een motorrijder komt langs en stopt naar aanleiding van mijn uitgestrekte arm. Ik vraag om de snelweg, om op die manier terug in Muhanbil te geraken, waar ik bij Amzjed en zijn vader en neef Hassan welkom ben. Bij de hoofdweg houden we halt. Daar weet hij me met moeite ervan te overtuigen dat ik in plaats van in het donker naar Muhanbil te liften beter met hem mee kan gaan. Daarmee gooi ik mezelf op dat twee al in het diepe, door niet de Engels en zelfs Russisch sprekende Amzjed opnieuw op te zoeken, maar naar een geheel Arabischsprekende familie te gaan. In Syrië zijn teveel mensen té gastvrij. Ze lijken bijna onderling te vechten om een gast in huis te krijgen.

Op de motor vervolgen we onze rit. Wat ik uit zijn Arabisch nog niet had begrepen was dat we eerst naar zijn werk zouden gaan en daarna pas naar zijn huis. Geeft niets. Hierdoor maak ik de eindeloze geboorte van een rioleringsslang mee. In een gebouw dat van buitenaf gezien ook een huis had kunnen zijn stond een installatie, waar aan de ene kant plastickorrels in een trechter worden gegooid, zodat er aan de andere kant één doorlopende slang uitschuift, welke door een tactische metalen constructie zichzelf tot een mooie twee meter brede bundel oprolt.

Nadat Hassan, de baas van dit bedrijf, heeft gezien dat alles nog naar wens verloopt en de nodige glaasjes thee weggewerkt zijn, rijden we via de weg waarlangs we gekomen zijn de snelweg overstekend door Jeradeh en voorbij Ruweiha, waar Hassan me een uurtje eerder opgepikt had. Gisteren had de lucht, die door het open raam de Caddilac binnenstroomde, nog aangenaam warm aangevoeld, maar nu, achterop de motor, is het gewoon koud. Helmen bestaan hier niet. We schieten door de Syrische nacht. Gevaarlijk? Hassan doet het iedere dag. Op de rechte stukken kijkt hij vaak achterom, om me, met één arm in de verte wijzend, in het Arabisch te vertellen wat voor belangwekkends zich daar bevindt. In de dorpskernen geeft Hassan extra gas om zich ervan te verzekeren dat we de honden, die, lustig blaffend, naar mijn benen grijpen, te snel af zijn. Het werkt; zonder kleerscheuren bereiken we Serji, het dorp van Hassan en zijn familie. Mijn angst dat daar, als we uiteindelijk toch een keer vaart moeten minderen om af te kunnen stappen, meer bloeddorstige honden op me zouden wachten bleek gelukkig onterecht. Na een korte melding bij zijn tien jaar oude oudste zoon Achmed rijden we door naar het huis van zijn broer.

Daar nemen we in de gastenkamer plaats. Eerst mompelt Hassan met veel knielen en opstaan zijn gebeden. Het gemompel wordt geregeld onderbroken door een uitroep van 'Allah akbar'. Gelijk na het gebed neemt hij een grote schaal aan van de dochter van zijn broer, die zelf buiten beeld blijft. De schaal was zo groot, dat hij alleen maar door de deuropening pastte als Hassan hem scheef hield. Met dunne losgescheurde stukjes brood pakken we kip en rijst uit een grote kom die op de schaal staat. Dit wisselen we af met yoghurt, dat we met hetzelfde brood opscheppen.


Na de maaltijd rijden we naar Hassan zijn eigen gezin. Achmed straalt, duidelijk opgetogen met het feit dat vader een gast meegebracht heeft. Hassan vertelt dat Achmed Engels leert, waarop zijn oudste zoon enthousiast ja schud. Uiteindelijk heeft hij geen woord Engels gesproken. Ook niet wanneer zijn vader, en later ook nog zijn oom, mij tevergeefs iets proberen uit te leggen en dan vervolgens verwachtingsvol de arme Achmed aankijken, die op zijn beurt geen woord uit kan brengen. Ach, ik geloof niet dat ik er, toen ik tien was, meer van bakte. Laat staan dat ik durfte. In het begin durft ook hij nauwelijks wat te vragen, tot ik vanuit mijn boek Arabische steekwoorden begin op te zeggen. Dan zegt hij me na met de uitspraak zoals het wel moet en legt in gebaren uit wat het woord betekent, alsof hij zich er niet van bewust is dat de woordenlijstjes die ik zo met hem doorwerk ook in het Engels vertaald staan. Wanneer we gaan slapen wordt een straalkachel op me gericht. Het extra deken heb ik dan ook niet nodig.


's Ochtends ontbijten we met hetzelfde brood, dezelfde yoghurt, een omelet en een bord met tomaat en komkommer. Bovendien kan het brood nu ook in olijfolie worden gedoopt, om daarmee vervolgens kruiden die op een ander bord liggen vast te plakken. Na het eten komt nog een zoontje erbij, en zelfs zijn vrouw, maar die vlucht weg als ik een familiefoto maak.


Met de motor rijden we naar een andere broer. Achter het huis is een man bezig uit stukken rots vierkante blokken te hakken, zodat ze daarmee het huis uit kunnen bouwen. Na twee glaasjes thee brengen de heren me met een open vrachtwagentje naar Ma'arrat An Nu Mar terug. De zoon van de broer en de stenenhakker houden achterop de wagen mijn tas vast. Eerst brengen ze me naar de busjes, dan toch naar de snelweg. Voor ze vertrekken rij ik al weg. Naar Aleppo.