Posts tonen met het label West Bank. Alle posts tonen
Posts tonen met het label West Bank. Alle posts tonen

12 juni 2010

Een onstilbare wrok

Moehammad brengt me naar het gebouw naast het voetbalveld. Het veld is zandkleurig; hier en daar is wat dor gras te bespeuren. Aan de rand van het veld worden met veel rook een paar hopen vuil verbrand. Het ruikt onprettig. We vinden een open deur en betreden het gebouw. Een grote plas op de betegelde vloer heet ons welkom. In een schemerige gang zitten jonge jongens op de grond naar foto's te kijken, die met een beamer op de muur geprojecteerd worden. Als Moehammad me naar een grote ruimte gebracht heeft, waar een jongen van mijn leeftijd achter een bureau zit, keert hij terug naar huis. Achter de jongen staat een grote kast vol sporttrofeeën.
Aan beide kanten hangt een portret, zowel van de huidige, als van de vorige koning. Op één van de glazen deuren van de prijzenkast is een beeltenis van Saddam Hoessein, voormalig president van Irak, geplakt. Ik neem op een van de vier fauteuils die langs de muren staan plaats. Tegenover me hangt een kaart van Palestina. Als een dolk zo scherp steekt het af tegen de witte achtergrond. Een glas cola wordt bij me neergezet. Enkele jongens vragen me om welke reden ik naar het kamp gekomen ben. Ik vertel ze dat ik graag wil weten hoe de Palestijnse vluchtelingen hier leven. Eén van de jongens stelt zich voor als Fadi. Hij brengt me terug naar de foto's kijkende jongens. Foto's van Palestijnen. Oude mannen die met een rotsvaste uitstraling grote metalen sleutels voor zich uit richting de camera houden. Het beeld vertelt zijn eigen verhaal; het zijn de sleutels van hun huizen in Palestina. Huizen, waarvan de meeste allang met de grond gelijkgemaakt zijn. Maar zij blijven hopen. Sterker nog, de meesten zijn ervan overtuigd dat ze terug naar hun eigen land zullen keren. Ze hebben immers zowel Allah als de gehele Islamitische wereld achter zich staan. Wie kan daar tegenop?

Na de foto's lopen we naar een andere zaal, waar op acht plaatsen de vloer, en voor de begeleiding één tafel, gedekt is. Uit gaten in het plafond hangen snoeren van ventilatoren, die daar vroeger gezeten hebben. Het eten dat verspreid wordt blijkt gesponsord door een rijke Palestijn. Mijn tweede ontbijt nu ook. De eerste was nog op rekening van een arme vluchteling. Samen met de vrijwilligers eet ik wederom hoemoes en falafel met brood. Fadi vertelt dat deze kinderen, die vandaag aan de activiteiten meedoen, allemaal hele of halve weeskinderen zijn; ze hebben tenminste één van hun ouders verloren. Achmed, het vriendje van Moehammad, die ik gisteren bij het vliegers spotten was tegengekomen, komt naar me toegerend als hij me ziet. Hij vraagt of ik een foto van hem wil maken. Helaas werkt mijn camera niet mee; hij gaat niet aan. Dat komt vaak voor en de oplossing is simpel; een paar keer de accu eruit halen en er terug in stoppen en geduld hebben. Dan doet hij het zo weer. Zodra mijn camera besloten heeft mee te werken heeft Achmed al op één van de stoelen plaatsgenomen, die in rijen richting het podium neergezet zijn. De kinderen hebben stukjes ingestudeerd, die ze in groepjes opvoeren. Zonder uitzondering gaan ze over wat de gemene Israëliërs de Palestijnen aangedaan hebben. De wrok zit heel diep. Het gaat als volgt:
Een aantal Palestijnen zitten op hun knieën op het podium. Een paar kinderen zijn in gewaden en met een stok aangekleed en hebben een zwart bestikte witte doek over het hoofd gedrapeerd. Eén heeft een Dolce en Gabbana t-shirt aan. Een ander draagt een Adidas broek. Dan komen een paar 'Israëliërs', waarvan ook één persoon een Dolce en Gabbana t-shirt aan heeft, hen met veel leedvermaak doodschieten, dan wel van het podium afslepen. Daar blijven de Palestijnen een tijdje aangedaan liggen, waarna ze, samen met de Israëliërs die terug naar Palestijnen getransformeerd zijn, één van hun liederen zingen. Het publiek kijkt aandachtig toe tot het af is.

Om de tijd te overbruggen tot het volgende toneelstuk, gaat de aanvoerder van de vrijwilligers voor de rijen gevulde stoelen staan en noemt een paar getallen op. Dan klappen ze met zijn allen in salvo's zo veel keer als hij opgenoemd heeft. Na een paar rondes komt de volgende groep alweer op, die zijn eigen versie van hetzelfde verhaal ten tonele brengt. Als al het leed geleden is gaat iedereen in een kring staan. Het is tijd voor de prijsuitreiking. Eén jongen met een doos vol prijzen en één jongen met een lijst met namen nemen in het midden van de kring plaats. Eerst roept hij mij erbij. Ik heb het eerst niet door, omdat ik hier eigenlijk helemaal niets te zoeken heb; dat ik hier ben is puur toeval. Bij de tweede keer dat hij me bij mijn naam noemt kom ik toch maar bij ze staan. Ze hadden me nodig. De jongen met de doos vol prijzen geeft er één aan mij, die ik dan met een handschudding doorgeef aan één van de winnaars, die door de aanvoerder van de lijst worden opgenoemd.

Na met Fadi nog een stukje door het kamp gelopen te hebben en in een kapperszaak aan enkele vrienden van hem voorgesteld te zijn nodigt hij me uit om vannacht bij hem te komen slapen. Weer een probleem opgelost. Na een kort bezoek aan de politie vind ik het huis van Moehammad en zijn familie terug.
"Ga je ook naar de moskee?" vraagt een in een wit gewaad gehulde jongeman.
"Nee, ik ben christen", lieg ik. Dat beweer ik tegen iedereen die het horen wil. En dat zijn veel mensen. Religie is een veel langskomend gespreksonderwerp. Ook op straat is het vaak de derde vraag die me door de nieuwsgierige stoepzitters gesteld wordt, wedijverend met de vraag of ik getrouwd ben. Ik zeg maar dat ik christen ben. Vaak nog meer specifiek katholiek. Als ik zou beweren dat ik moslim was, wat vrijwel iedereen het liefst zou horen, dan zou ik al snel door de mand vallen. De waarheid zelf vertellen zou me waarschijnlijk een heleboel waardering kosten. Ik heb hier niemand ook maar het woord atheïsme horen noemen. Christenen hebben tenminste nog een god. Sterker nog, ze aanbidden dezelfde god als de islamieten zelf; ze hebben slechts een update misgelopen, namelijk de komst van de profeet Mohammed. Voor mij, vanuit ongelovig perspectief, zijn op dit moment, zonder me er in verdiept te hebben, de islam en het christendom dan ook ongeveer hetzelfde. De Heilige Koran en de Bijbel gaan grotendeels over dezelfde profeten, alleen is in de Koran aan Jezus minder aandacht geschonken, terwijl hij in de bijbel een heel testament toebedeeld krijgt. Die ruimte is in de Koran door de openbaringen opgeslokt, die Gabriël vanaf het jaar 610 (na Christus) aan Mohammed deed.

Rahaf laat me binnen en vertelt dat Moehammad en zijn broer gauw van het bidden thuis zullen komen. Voor het vrijdaggebed verlaat zelfs vrijwel iedere minder vrome moslim zijn werk of woonhuis om de moskee te bezoeken. Verder wordt het bidden meestal thuis afgehandeld. Dat is praktischer dan vijf keer per dag naar de moskee. Rahaf, gekleed in een mooie jurk en met een vlot kapsel, vertelt me wat ik altijd al heb geweten:
"Vrouwen zijn hier sterker dan mannen, Chaliel. Hun geesteskracht is groter. Binnen de familie, zijn zij het, die aan het hoofd staan."
Alleen van buiten gezien is hier zo weinig van te herkennen.

Een neef komt binnen met een waterpijp en een metalen bakje, die ertoe dient om de benodigde kooltjes op te stoken. Hij loopt door via de gang naar de keuken. Ik hoor hoe hij het gasfornuis in de keuken ontvlamt en herinner me hoe ik de man van Arabiya in Mashara zo ook moeiteloos kolen tot roodgloeiend had zien dwingen. De deur wordt van buitenaf geopend. Moehammad en zijn twee broers komen het vertrek binnen en lopen door tot de keuken. Als Moehammad in de ontvangstkamer terugkomt, heeft hij een grote schaal mensev in zijn armen. Hij zet de maaltijd in één van de kamers op een stuk plastic folie neer. Gehurkt giet Moehammad de saus, bestaande uit yoghurt met water waarin de kip gekookt is, over de rijst met kip en noten. Dit is de enige maaltijd waarbij veel Arabieren met hun handen eten zonder brood te gebruiken. Rahaf had me gevraagd of ik een lepel wilde gebruiken. Ik zei dat ik het zou eten op de manier zoals dat hier gebruikelijk is, dus met mijn handen, waarop zij vertelde het zelf nooit met haar handen te eten. Dat soort praktijken was meer wat voor de mannen. De twee broers, de neef, het zoontje van Rahaf en ik volgen Moehammads voorbeeld en hurken bij de schaal neer. Terwijl ik de eerste hand rijst met noten tot een bal bij elkaar probeer te drukken schuift één van de broers mij een stuk kip toe. In de slecht verlichte kamer denk ik na een paar happen tussen de rijst stukken vis tegen te komen. Als ik Moehammad hiernaar vraag blijkt dat brood te zijn, waarop de rijst rustte, zompig geworden door de saus.

Als de maaltijd afgerond, en de handen gewassen zijn zitten Moehammad en ik op de banken in de ontvangstkamer neer.
"We moeten versnellen," begint hij. "Jij wilt dingen over dit kamp weten, maar ik moet gauw weer aan het werk, dus stel je vragen."
Even vraag ik me af hoe ik kan beginnen met vragen, maar het verhaal komt vanzelf al, van zijn kant. En wat een verhaal. In 1994 sloot koning Hoessein van Jordanië, niet te verwarren met Saddam Hoessein, vrede met Israël. Moehammad verloor hierdoor zijn Jordaanse nationaliteit. Hij kon immers terug naar de Westelijke Jordaanoever, waar zijn familie een groot huis met land bezit. Hier in Jordanië is hij sinds de vrede dan ook een buitenlander. Zijn vrouw niet. Zij is Jordaanse. Zijn dochter daarentegen, is geregistreerd in de Westelijke Jordaanoever. Graag zou hij met zijn gezin naar zijn huis in de Westelijke Jordaanoever verhuizen, maar Israël, die het in de Westelijke Jordaanoever voor het zeggen heeft, staat zijn vrouw niet toe om in de Westelijke Jordaanoever te komen wonen. Moehammad gaat natuurlijk niet zonder zijn vrouw in zijn eigen huis wonen. Hij blijft bij haar in het vluchtelingenkamp. Zwaar gefrustreerd, durf ik wel te stellen.

"Waarom?!" roept hij uit. "Waarom hebben ze Arafat vermoord? Waarom hebben ze Saddam Hoessein vermoord? Kijk toch naar de situatie in Irak; allemaal de schuld van de Amerikanen!"
"...," zeg ik.
"Volgende week vrijdag," raast Moehammad verder, "ga ik voor het eerst in twee jaar naar huis. Je kunt je niet voorstellen hoe erg ik uitkijk naar het moment waarop ik mijn moeder haar handen kus. Wie maakt deze kloof in mijn familie? Waarom ontnemen ze me op deze manier mijn land, mijn huis en mijn bomen? Waarom?!" Dochtertje Dana komt bij hem zitten. Terwijl hij haar bij hem op schoot neemt roept hij uit:"Wie heeft ons dit aangedaan?! Alles leidt terug naar deze twee woorden: 'wie' en 'waarom'. W-A-A-R-O-M."
"Groot-Brittanië?" gok ik. Ik voel me een amateur. Ik weet vrijwel niets van de aanleiding tot al deze problematiek. Maar als veroorzaker is de naam van het koninkrijk Groot-Brittanië is vaker gevallen. Zij waren het dan ook die het gebied tot de stichting van Israël beheersten. Ze zouden Palestina min of meer aan de vijand gegeven hebben. Moehammad zat niet op mijn antwoord te wachten. Hij gaat al verder met het uiten van zijn afkeer. Afkeer ook voor zijn Arabische broeders, die aan de andere kant van de woestijn zoveel geld uit de grond kunnen oppompen dat ze palmbomen in de zee laten verrijzen, zo groot, dat ze vanaf de maan te zien zijn.
"Laatst zag ik op televisie dat de Sjeik van Qatar de grootste mensev ter wereld had gemaakt om daarmee in het Guinness Book of Records te komen. Wel 100 kamelen had hij daarvoor laten slachten! Ik wed dat de complete bevolking van Jordanië zo'n hoeveelheid nooit op zou kunnen krijgen. Waarom doet hij dat?! Ook zag ik laatst dat een ander van die knakkers 75 duizend had betaald voor een kus van Madonna." Hij vertelt me dat Israël Amerika volledig in zijn zak heeft. "Israël stuurt Amerika aan alsof ze een playstation bedienen. Kijk maar naar Irak." Saddam was al tijden de grootste dreiging voor Israël. Amerika heeft die dreiging met zijn oorlog weggenomen.
"Saddam was een held!" schreeuwt Moehammad uit. "Irak houdt van de Palestijnen!"

2 juni 2010

Beter een goede buur...

Ik wandel verder langs de hoofdweg en duik een zijstraatje in. Twee blokken verder maak ik nog een praatje met een paar jongens, waarbij al gauw een halve schoolklas van kinderen zich om mij heen verzameld heeft. Hoog boven ons balanseert een vlieger in de luchtstroom. Ik zeg de jongens gedag en wandel een ander nauw straatje door, op zoek naar de bron van dit plezier, dat me aan mijn jeugdvliegers doet herinneren. In deze straatjes kun je toch onmogelijk vliegeren? Plotseling zie ik er nog één! Het moet op het dak gebeuren; anders kan niet. Ik blijf staan om een foto te maken. Een jongen komt erbij staan en wijst achter me: nóg een vlieger! Hoe vaak zie je ze in Nederland nog? Ik heb geen idee; ik ben daar nauwelijks, en als ik er ben heb ik andere dingen aan mijn hoofd dan rondfietsen om te tellen hoeveel vliegers er in de lucht hangen. Maar hier is het in ieder geval alledaags vermaak. De jongen, die me op de derde vlieger wees, nodigt me uit om een foto van zijn kamer te maken. Muhammad heet hij. Hij is dertien jaar oud. Zijn vriendje Achmed, elf jaar oud, is er ook bij, maar zodra we bij de schutting, gemaakt van hergebruikte metalen golfplaten, aankomen en, nadat de vrouwen gewaarschuwd zijn, de binnenplaats betreden, blijft hij op straat achter. Het zusje van Muhammad, Hanan, staat bij het huis. Moeder Fatien komt gauw het huis uit. Wellicht heeft ze haar hoofddoek gauw even opgedaan. Ze hebben een leuke tuin. Boven een zitje van groengeverfte betonnen krukjes is met een paar balken een stellage gemaakt, waar weelderige druivenranken een aangename schaduw creëren. In de hoek van de tuin, waar een ladder en enkele lege petroleumblikken liggen, staat een palmboom. Daarbij is een groentetuintje van twee bij twee en nog een perkje met een rozenstruik. Een klein paradijsje binnen een overvol vluchtelingenkamp. Voor wat betreft de tuin tenminste.

Nadat ik één glaasje thee heb opgeslurpt komt een man de poort door.
"Dat is mijn vader," zegt Muhammad.
"Raoef," stelt de man zich voor. De zestigjarige man spreekt goed Engels. Een man die niet makkelijk praat. Zenuwachtig. Gestresst. Hij zit voortdurend in zijn handen te wrijven, behalve de vele keren dat hij zijn hand voor zijn mond houdt vanwege het hoesten. Psychische problemen?

Hij vertelt over zijn gezin en zijn verleden. Zeven jaar lang heeft hij in Beiroet, de hoofdstad van Libanon, voor de oliemaatschappij BP gewerkt. In die stad ontmoette hij zijn vrouw Fatien en kregen ze hun eerste dochter, Asia. Vervolgens verhuisden ze naar de Syrische hoofdstad Damascus, waar hun tweede dochter Hajer geboren werd. Na daar enkele jaren gebleven te zijn, verhuisden ze terug naar waar hij vandaan kwam, het vluchtelingenkamp te Husn. Daar kregen ze hun zoon Moehammad en dochter Hanan.

Zeven jaar geleden waagde hij zich op de door Israël bezette Westelijke Jordaanoever. Zijn zus woont daar in vluchtelingenkamp Jenin en hij wilde haar graag bezoeken. Hij bleef daar een tijdje werken, maar dit werd onverwacht onderbroken toen hij door Israël opgepakt werd. Dezelfde dag nog bevond hij zich in de gevangenis van Ramallah. Zes maanden wachtte hij tot hij voor het militaire gerechtshof verscheen. Zes maanden in een cel zitten wachten tot je ook maar een rechtszitting toebedeeld krijgt; stel je eens voor. Na de eerste zitting volgde een tweede, zes maanden later. Nog een half jaar duurde het voor hij vrij kwam. Hij zat gevangen omdat zijn dochter in Libanon geboren was, daardoor verdachten de Israëliërs Raoef ervan voor Libanon te spioneren.

Na deze 18 maanden werd hij vrijgelaten. 18 maanden lang kreeg hij niets te horen over zijn familie. Raoef protesteerde de hele periode zoveel als hij kon. De eerste 14 dagen van zijn detentie bleef hij in hongerstaking, tot de Israëliërs zijn ambassadeur erbij haalden. Die beloofde hem dat hij na een maand zijn familie zou terugzien. Raoef begon weer te eten. Na een maand vroeg hij zijn bewakers hoe het stond met de belofte dat hij vrij zou komen.
"Als je ambassadeur niets voor je doet, wat kunnen wij dan doen?" was hun reactie.
Raoef beantwoorde dat met acht dagen hongerstaking, waarop hij in het ziekenhuis werd opgenomen. Later hervatte hij zijn protest door 40 anti-hoge-bloeddruk-tabletten tegelijk in te nemen. De generaal van de gevangenis kwam bij hem langs en beloofde dat hij spoedig naar zijn familie mocht gaan. Toen ook dit Raoef te lang duurde slikte hij een kop zout door; zijn maag werd leeggepompt in het ziekenhuis, waar hij vier dagen opgenomen bleef. Een officier kwam bij hem langs en beloofde dat hij dezelfde dag nog naar Jordanië gebracht zou worden. Hij belandde in een auto, die van Ramallah naar Jeruzalem reed, een ritje van nog geen 15 kilometer, maar kreeg problemen doordat zijn bewakers zijn paspoort niet bij zich hadden. Ze beweerden dat ze zijn paspoort nooit in bezit hadden gehad. Dit was zeer onwaarschijnlijk, want hoe hadden ze anders kunnen weten van de reden van zijn gevangenneming, namelijk dat zijn dochter in Libanon geboren was? Dat staat in zijn paspoort aangetekend. Toch bleven de autoriteiten beweren dat ze zijn paspoort niet meer hadden. Zijn vrouw werd ingelicht dat zij in Amman, de hoofdstad van Jordanië, een tijdelijk paspoort voor hem moest regelen. Zij ondernam de tocht naar de immigratiedienst van Jordanië, maar de mensen achter de balie geloofden haar niet. Drie maanden later probeerde ze het nog eens. Deze keer had ze meer succes. Een paar dagen later zat Raoef hier, thuis, op de bank waar hij nu ook zit, terug bij zijn vrouw en kinderen.

En wat zit er nu naast mij? Een gebroken man. Hij vertelt dat hij sinds het uitgelopen bezoek aan zijn zus slecht hoort. Daarnaast is hij erg benauwd en hoest hij veel.
"Door de gasbommen," verklaart hij.
"Gasbommen?"
"Ja, die werden geregeld tussen de gevangenen gegooid."
"Waarom?"
"Zonder reden. Gewoon, als ze boos op ons waren. Iedereen ging er verschrikkelijk van tranen, en de geur was niet uit te houden. Geregeld kwamen er bij zo'n aanval oudere gevangenen om het leven. Ik heb er mijn astma aan overgehouden."
"Dat had u voor u in de gevangenis zat niet?" vraag ik ter controle.
"Nee, dat is daar ontstaan."

Op de achtergrond roept een kind om zijn moeder. Van verder weg hoor ik de opgewonden stemmen van spelende kinderen. Een krekel geniet tsjirpend net zoveel van Raoef zijn tuin als ik doe.


"En nu woon ik hier met mijn gezin, werkeloos. Kijk naar mijn huis: het is niets."
Zijn huis bestaat uit twee kamers, die los van elkaar staan. Links staat een stenen kamer, waar ook de badkamer en een keukentje aan vast zitten. De kamer rechts is van metalen golfplaten. Enige jaren nadat de vluchtelingen in tenten waren ondergebracht werden deze vervangen door zinken schuilhutten. De golfplaten daarvan zijn nog op veel plaatsen terug te vinden. De meeste als schuttingen of afscheidingen. Op enkele plaatsen worden ze nog als dakbedekking gebruikt. Raoef heeft nog zo'n schuilhut. Hij staat bijna in zijn oorspronkelijke vorm. Raoef heeft hem alleen een meter langer gemaakt.
"Zomers is het daarbinnen tergend heet. 's Winters vriest het er geregeld. Maar wat kan ik doen? Door mijn ziekte kan ik geen werk meer krijgen. We leven nu van een ziekenuitkering, die door de koning gelijkgesteld is aan het minimumloon van 150 dinar per maand" Dat is 174 euro.
"Met hoeveel mensen woont u hier?"
"Met zijn zessen. 150 dinar is niet te doen. Our life is too difficult."
Dat bedrag had ik voor mezelf ook gepind, hopende dat ik het daar in mijn eentje, gesteund door de gastvrijheid van mensen als Raoef en zijn gezin, een maand mee uit zou zingen.
"We krijgen ook steun van de UNRWA. Elke drie maanden geven ze melk, groenten, olie,
suiker en dat soort dingen. Voorheen was het iedere maand."
Hij vertelt dat ook één van zijn dochters ziek is. Tweezijdig nierfalen, blijkt later. Ernstig. Zijn andere dochter gaat dagelijks naar de universiteit in Irbid. Het collegegeld zelf is onbetaalbaar. In het geval van zijn dochter 1000 dinar per jaar. Hiervoor heeft Raoef een brief aan koning Abdallah geschreven, waarin hij hem vertelde over zijn armoede en dat zijn dochter graag naar de universiteit zou gaan, maar dat dit financieel niet mogelijk was. Een maand later werd hij door het kantoor van de koning gebeld, waarbij Raoef gemeld werd dat het geen probleem was en dat zijn dochter zonder te betalen mocht gaan studeren. Zijn brief, ondertekend door Zijne Koninklijke Hoogheid Abdallah de Tweede zelf, werd aan hem opgestuurd en alles was in orde. Nu kost de studie hun nog twee dinar per dag, voor de bus naar Irbid en wat voedsel voor onderweg.

"Kunt u geen leraar Engels worden? Uw Engels is goed genoeg."
Een onzeker schouderophalen is zijn antwoord. Waarschijnlijk is hij te zenuwachtig voor zo'n baan. Voer voor scholieren. Hij vertelt dat zijn vrouw, die juist hapjes van gehakt in deeg voor mij heeft neergezet, afgelopen jaar voor het eerst, sinds de 15 jaar die ze buiten haar land woont, haar familie heeft bezocht. Door geldgebrek.
"Je weet dat Libanon helemaal niet ver weg van hier is, toch?" vraagt Raoef.
"Ja," beaam ik, "ik kan er in één dag zijn." Hemelsbreed is het nog geen honderd kilometer.

Hij vertelt over Israëlische fabrieken bij de Jordaanse stad Al-Mafraq, waar zij van het lage arbeidsloon profiteren. "In Israël kost een werknemer 20 dinar per dag," verklaart Raoef. "Hier betalen ze 5 dinar per dag." Dat kunnen ze gemakkelijk doen door het hoge aantal werklozen onder de Palestijnse vluchtelingen, die het grootste deel van de Jordaanse bevolking vormen. Een erbarmelijke situatie waar ze zelf mede de oorzaak van zijn, en nu van profiteren.

"Je kunt hier blijven slapen," biedt Raoef aan. "Dan stoppen we de meiden bij moeder en slapen wij samen daar," zegt hij, op het stalen hok wijzend.
"Misschien een andere dag," antwoord ik. "Laat me het uitleggen; ik zou graag bij jullie overnachten."
"Ik vind het erg fijn dat je er bent," laat ook Raoef weten.
"Maar Moehammad heeft me ook uitgenodigd. Om half tien komt hij me bij het politiebureau ophalen."
"Dus je hebt vannacht een slaapplaats?"
"Waarschijnlijk wel ja."
"Mocht het toch niet zo zijn, dan kun je hier nog terecht."
We wisselen telefoonnummers uit. Vlak voor ik vertrek zegt Raoef:
"Ik ga even daar zitten; ik heb al een uur niet gerookt..." Dat zal ongeveer net zoveel kosten als het vervoer en de voeding van de universiteitgaande dochter.